ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ1739

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/01306
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.Th. Simons
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening op de heffing en invordering van de GrondwaterheffingArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering grondwaterheffing wegens onredelijk vast tarief onder 7.500 kubieke meter

Belanghebbende was als houder van een geregistreerde inrichting betrokken bij de grondwaterheffing over het jaar 2000 met een aanslag van ƒ 150, gebaseerd op een vast tarief voor onttrekkingen tot 7.500 kubieke meter. Belanghebbende stelde dat de aanslag slechts ƒ 11,40 zou moeten bedragen, gebaseerd op zijn werkelijke onttrekking van 570 kubieke meter à ƒ 0,02 per kubieke meter.

Tijdens de zitting verklaarde de ambtenaar dat het vaste tarief van ƒ 150 bedoeld was ter dekking van de kosten van heffing en invordering, terwijl het variabele tarief van ƒ 0,02 kostendekkend zou zijn. Het hof concludeerde echter dat het vaste tarief leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing, omdat het bedrag voor kosten vanaf 7.500 kubieke meter geheel ontbreekt, wat niet werd verklaard door de ambtenaar.

Het hof verklaarde het vaste tarief onverbindend, vernietigde de bestreden uitspraak, en verminderde de aanslag tot ƒ 11,40 (€ 5,17). Tevens werd het door belanghebbende betaalde griffierecht van ƒ 109 (€ 49,46) vergoed, met Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant als de veroordelde partij. De uitspraak werd mondeling gedaan op 26 mei 2004 te 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De aanslag in de grondwaterheffing werd verminderd tot ƒ 11,40 en het vaste tarief onder 7.500 kubieke meter werd als onredelijk en willekeurig verklaard.

Uitspraak

BELASTINGKAMER
Nr. 02/01306
HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH
PROCES-VERBAAL MONDELINGE UITSPRAAK
Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: de ambtenaar) op het bezwaarschrift betreffende de aanslag in de grondwaterheffing over het jaar 2000.
Het onderzoek ter zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 mei 2004 te
's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede, de ambtenaar.
Na de behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 26 mei 2004, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.
De beslissing
Het Hof:
-verklaart het beroep gegrond,
-vernietigt de bestreden uitspraak,
-vermindert de aanslag tot een bedrag van ƒ 11,40 (€ 5,17),
-gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 109,= (€ 49,46), en
-wijst Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.
De gronden voor de beslissing
1. Belanghebbende is als houder van een geregistreerde inrichting voor het onttrekken van grondwater voor het jaar 2000 betrokken in de grondwaterheffing ten bedrage van ƒ 150,=. Dit tarief is gebaseerd op artikel 7 van Pro de Verordening op de heffing en invordering van de Grondwaterheffing, dat luidt als volgt:
"Artikel 7
Voor onttrekkingen met een omvang kleiner dan of gelijk aan
7.500 belastbare kubieke meters onttrokken grondwater bedraagt
de heffing ƒ 150,--. Dit bedrag wordt voor grotere onttrekkingen
verhoogd met ƒ 0,02 per belastbare kubieke meter meer.".
2. Belanghebbende heeft tijdens de zitting verklaard, dat zijn grief hieruit bestaat dat hij meent dat de aanslag ƒ 11,40 dient te bedragen, namelijk de door hem onttrokken hoeveelheid grondwater van 570 kubieke meters à ƒ 0,02.
3. In zijn verweerschrift en ook ter zitting heeft de ambtenaar verklaard dat het bedrag van ƒ 150,= dient ter dekking van de kosten van heffing en invordering van de grondwaterheffing. Hij heeft eveneens verklaard dat het tarief van ƒ 0,02 per kubieke meter kostendekkend is.
Die twee verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, brengen het hof tot de conclusie dat naar mate de hoeveelheid onttrokken grondwater groter wordt het bedrag dat ter beschikking komt voor de kosten van heffing en invordering lager wordt en dat vanaf een hoeveelheid van 7.500 kubieke meters de aanslag in het geheel geen bedrag meer voor de kosten van heffing en invordering bevat.
De ambtenaar heeft, ter zitting met die conclusie geconfronteerd, geen afdoende verklaring hiervoor gegeven.
Het Hof komt tot de slotsom dat het vaste tarief voor onttrekkingen onder 7.500 kubieke meters leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing en verklaart dit tarief dan ook onverbindend.
Griffierecht en proceskosten
Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed.
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en van overige voor nadere opgaaf vatbare kosten, als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht, niet is gebleken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
Aldus gedaan door J.Th. Simons, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2004.
Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden
op: 26 mei 2004
Het aanwenden van een rechtsmiddel:
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak dit gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).
Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht voor belanghebbende € 51,=.
Het bestuursorgaan is voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak een griffierecht van € 204,50 verschuldigd.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.