ECLI:NL:GHSHE:2004:AO9438
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Kranenburg
- Feddes
- Pinckaers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schorsing tenuitvoerlegging vonnis na wetswijziging art. 351 Rv
In deze civiele procedure staat centraal of de appelrechter sinds de invoering van art. 351 Rv Pro per 1 januari 2002 een ruimere toetsingsmaatstaf kan hanteren bij de beoordeling van een vordering tot schorsing van de executie dan de voorzieningenrechter in kort geding ex art. 438 Rv Pro. Appellante vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, stellende dat voortzetting van de executie een noodtoestand voor haar veroorzaakt.
Het hof stelt vast dat de wetsgeschiedenis en jurisprudentie geen aanleiding geven voor een ruimere toetsing door de appelrechter dan de reeds ontwikkelde maatstaf, waarbij schorsing slechts kan worden bevolen indien sprake is van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag of een noodtoestand aan de zijde van de geëxecuteerde.
Appellante voert aan dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat het vonnis in hoger beroep zal worden vernietigd en dat executie haar vermogen bedreigt, maar het hof oordeelt dat deze gronden onvoldoende zijn om schorsing toe te kennen. Er is geen sprake van een kennelijke misslag of een noodtoestand die onmiddellijke schorsing rechtvaardigt.
Het hof wijst de incidentele vordering tot schorsing af en veroordeelt appellante in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen en appellante wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.