ECLI:NL:GHSHE:2004:668

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 oktober 2004
Publicatiedatum
24 april 2013
Zaaknummer
C0300724-HE
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:121 BWTitel 9 Boek 5 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vereniging van eigenaren kan betaling bijdragen afdwingen ondanks onderhoudsklachten lid

In deze zaak stond de vraag centraal of een appartementseigenaar haar betalingsverplichtingen aan de vereniging van eigenaren mag opschorten vanwege vermeend onvoldoende onderhoud aan gemeenschappelijke gedeelten. De kantonrechter had het opschortingsrecht van de eigenaar gehonoreerd en de vordering van de vereniging afgewezen.

Het hof oordeelde dat de bijzondere regeling in titel 9 van boek 5 BW geen ruimte laat voor een opschortingsrecht door een lid van de vereniging. De eigenaar staat immers niet in een huurdersverhouding tot de vereniging, maar is lid met betalingsverplichtingen conform het reglement. Klachten over onderhoud kunnen via artikel 5:121 BW Pro via de rechter worden afgedwongen, maar vormen geen grond voor opschorting van betalingen.

De vereniging had haar vordering voldoende gespecificeerd en de eigenaar had onvoldoende toegelicht waarom zij deze zou mogen betwisten. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, wees de vordering van € 3.883,49 plus wettelijke rente toe en veroordeelde de eigenaar in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering van de vereniging toe en veroordeelt de eigenaar tot betaling van de openstaande bijdragen met rente en proceskosten.

Uitspraak

typ. KD/LG
rolnr. C0300724/HE
ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH,
derde kamer, van 5 oktober 2004,
gewezen in de zaak van:
de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging
VERENIGING VAN EIGENAARS "DE BRAAKHORST",
gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
appellante,
procureur mr. J.M. Jonkergouw,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
procureur mr. W.J. Sleegers,
op het bij exploot van dagvaarding d.d. 3 juni 2003 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank te
's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven, onder rolnummer 02/1765 op 6 maart 2003 uitgesproken tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde.

1.De procedure in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis welk vonnis zich bij de stukken bevindt.

2.De procedure in hoger beroep

Bij memorie van grieven, tevens houdende akte vermeerdering van eis, heeft appellante - nader te noemen de vereniging - onder overlegging van vijf producties twee grieven aangevoerd en geconcludeerd als in die memorie nader omschreven.
Vervolgens heeft geïntimeerde - nader te noemen [geïntimeerde] - een akte genomen naar aanleiding van de vermeerdering van eis en vervolgens bij memorie van antwoord onder overlegging van een productie de grieven bestreden en geconcludeerd als in die memorie nader omschreven.
De vereniging heeft vervolgens een akte genomen en [geïntimeerde] een antwoordakte.
Ten slotte hebben partijen de stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

3.De grieven

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4.De beoordeling van de grieven

4.1.
In eerste aanleg zijn geen feiten vastgesteld. Het hof gaat van navolgende feiten uit.
4.2.
Het gaat in dit geschil om het volgende.
  • a) [geïntimeerde] is eigenaar van het appartementsrecht, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats] ; als zodanig is zij van rechtswege lid van de vereniging;
  • b) De vereniging heeft overeenkomstig de desbetreffende bepalingen in de akte van splitsing en het reglement de door de diverse eigenaren van de appartementsrechten te betalen maandelijkse bijdragen in de exploitatiekosten vastgesteld, alsmede een eenmalige bijdrage;
  • c) [geïntimeerde] heeft (een aantal van) deze bijdragen onbetaald gelaten;
  • d) De vereniging heeft in eerste aanleg betaling van die bijdragen gevorderd; [geïntimeerde] heeft zich beroepen op een opschortingsrecht, stellende dat door de vereniging geen behoorlijke onderhoud wordt gepleegd; de kantonrechter te Eindhoven heeft dit beroep op het opschortingsrecht gehonoreerd en de vordering van de vereniging afgewezen.
4.3.
De eerste grief is tegen deze afwijzing van de vordering gericht. Meer in het bijzonder wordt in de toelichting op deze grief gesteld dat de bijzondere regeling van titel 9 van boek 5 geen ruimte laat voor een beroep op een opschortingsrecht. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
4.4.
[geïntimeerde] verliest bij haar beroep op een opschortingsrecht uit het oog dat zij tot de vereniging niet in relatie staat als een huurder tot een verhuurder (zodat zij de vereniging kan aanspreken in geval van toerekenbare tekortkoming als verhuurder), maar dat zij als houdster van een appartementsrecht lid is van de vereniging en dus jegens die vereniging gehouden is tot betaling van de overeenkomstig de reglementen bepaalde bijdragen, terwijl zij anderzijds haar rechten als lid kan uitoefenen langs de weg die daartoe op grond van titel 9 van boek 5 BW openstaat.
4.5.
De klachten van [geïntimeerde] hebben betrekking op - door haar gestelde - gebreken als gevolg van onvoldoende onderhoud van gemeenschappelijke gedeelten van het appartementsgebouw waarin haar appartement zich bevindt.
Voor dat geval bevat artikel 5:121 BW Pro een regeling op grond waarvan een appartementseigenaar zoals [geïntimeerde] zo nodig via de rechter kan afdwingen dat door haar gewenst onderhoud wordt uitgevoerd; daarbij kan de rechter zo nodig tevens bepalen hoe de kosten van dat onderhoud over de appartementeigenaren en de vereniging van eigenaren worden verdeeld.
Met die specifieke – en exclusieve - regeling verdraagt zich niet dat [geïntimeerde] haar betalingsverplichtingen opschort terwijl zij deze door de wet aangegeven weg niet heeft bewandeld. Dat [geïntimeerde] anderszins een opeisbare vordering heeft jegens de vereniging is gesteld noch gebleken.
4.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt grief I, welke grief zich keert tegen de overweging van de kantonrechter dat niet valt in te zien waarom [geïntimeerde] geen opeisbare vordering op de vereniging zou kunnen hebben. Het enkele feit immers dat [geïntimeerde] heeft geklaagd over bepaalde gebreken betekent niet dat er - nu het hier gaat om de verhouding tussen een appartementseigenaar en de vereniging waarvan zij als zodanig deel uitmaakt - sprake is van een opeisbare vordering van [geïntimeerde] jegens die vereniging.
4.7.
Naar het oordeel van het hof heeft de vereniging haar (vermeerderde) vordering voldoende gespecificeerd. Weliswaar ontkent [geïntimeerde] dit, maar zij heeft dat onvoldoende toegelicht. De als productie 5 bij de memorie van grieven overgelegde lijst is volstrekt duidelijk.
Derhalve kan de vordering van de vereniging in volle omvang worden toegewezen.
4.8.
Gezien het voorgaande heeft de kantonrechter de vereniging ten onrechte in het ongelijk gesteld en dus ook ten onrechte in de proceskosten veroordeeld. Ook grief II slaagt derhalve.
4.9.
De slotsom is derhalve, dat het vonnis van de kantonrechter moet worden vernietigd, dat de vordering van de vereniging alsnog - zoals vermeerderd - moet worden toegewezen, en dat [geïntimeerde] als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep moet worden veroordeeld.

5.De beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven, van 6 maart 2003;
en opnieuw recht doende:
veroordeelt [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vereniging te betalen een bedrag van € 3.883,49 (drieduizend achthonderddrieëntachtig euro en negenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2003 tot aan de datum der algehele voldoening;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Vereniging begroot op € 229,56 voor verschotten en
€ 272,-- voor salaris procureur;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vereniging begroot op € 286,16 voor verschotten en € 817,50 voor salaris procureur.
Aldus gewezen door mrs. Begheyn, H. Vermeulen en Pellis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 oktober 2004.