ECLI:NL:GHSHE:2003:AN7683
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Hof stelt waarde mestquotum vast en wijst beroep belastingnavordering toe
De belanghebbende bracht zijn pluimveebedrijf in 1993 in een besloten vennootschap in onder toepassing van artikel 18 Wet Pro IB 1964. De Inspecteur stelde echter bij navorderingsaanslag het belastbaar inkomen aanzienlijk hoger vast en handhaafde dit na bezwaar. Het geschil spitste zich toe op de vraag of aan de voorwaarden voor geruisloze inbreng was voldaan, met name de zesde en zevende voorwaarde, en op de waardering van het mestquotum.
Het Hof oordeelde dat de belanghebbende niet voldeed aan de zesde voorwaarde omdat de creditering te hoog was en dat de waarde van het mestquotum niet kon worden vastgesteld op de door de belanghebbende verdedigde hoge waarde van fl. 1.201.600. Ook de door de Inspecteur voorgestelde lage waarde van fl. 375.000 werd verworpen. Het Hof stelde de waarde van het mestquotum in goede justitie vast op fl. 450.000.
Hierdoor kon niet worden aangenomen dat de onderneming niet was gestaakt volgens artikel 18 Wet Pro IB 1964. Het belastbaar inkomen werd door het Hof vastgesteld op fl. 1.033.003, waarvan fl. 598.299 belastbaar was tegen het bijzondere tarief. Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en de navorderingsaanslag verminderd.
Uitkomst: Het Hof stelde de waarde van het mestquotum vast op fl. 450.000, oordeelde dat niet aan de voorwaarden voor geruisloze inbreng was voldaan en verminderde de navorderingsaanslag tot een belastbaar inkomen van fl. 1.033.003.