ECLI:NL:GHSHE:2002:AF2584

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Hendriks
  • De Poorter
  • Ficq
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 SvArt. 515 SvArt. 15 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring wrakingsverzoek tegen kamer van het gerechtshof

Op 12 december 2002 diende de advocaat van de verdachte een wrakingsverzoek in tegen de kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch die de zaak behandelde. Het verzoek werd toegelicht tijdens de zitting van 19 december 2002. De advocaat-generaal stelde vragen over de ontvankelijkheid van het verzoek, omdat de wet geen collectieve wraking van een kamer voorziet. Het hof interpreteerde het verzoek echter als een persoonlijk wrakingsverzoek tegen elk lid van de kamer, waardoor het verzoek ontvankelijk werd verklaard.

Het hof hanteert als vaste praktijk dat voorlopige hechtenis wordt opgeheven per de fictieve datum waarop de verdachte zonder hoger beroep in vrijheid zou zijn gesteld, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn. In deze zaak waren die uitzonderingen niet van toepassing. Het hof oordeelde dat de extra redengeving voor het afwijzen van verzoeken tot opheffing van voorlopige hechtenis, namelijk de mogelijkheid van een hogere straf in hoger beroep, niet voldeed om van de standaardpraktijk af te wijken.

De afwijzing van het verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis kon bij de verdachte het objectief gerechtvaardigde vermoeden van vooringenomenheid jegens hem doen ontstaan. Op grond hiervan verklaarde het hof het wrakingsverzoek gegrond. De gewraakte rechters berusten niet in het verzoek. Het besluit werd genomen in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kamer van het gerechtshof is gegrond verklaard wegens het objectief gerechtvaardigde vermoeden van vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH
meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek
BESLISSING
gegeven op het op 12 december 2002 ter griffie van het gerechtshof ingekomen schriftelijk en ter zitting van bovengenoemde meervoudige kamer van 19 december 2002 toegelichte verzoek, ingediend door
mr. I. van Straalen, advocaat te Maastricht, namens:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats],
thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring te Breda.
strekkende tot wraking van mrs. [gewraakte voorzitter], [gewraakte oudste raadsheer] en [gewraakte jongste raadsheer].
Het onderzoek van de zaak
Het verzoek is op 19 december 2002 ter openbare terechtzitting behandeld.
Het hof heeft kennis genomen van hetgeen van de zijde van verzoeker schriftelijk en mondeling naar voren is gebracht.
[gewraakte voorzitter] heeft desgevraagd medegedeeld dat hij noch mrs. [gewraakte oudste raadsheer] en [gewraakte jongste raadsheer] berusten in het tegen hen gedane verzoek tot wraking.
Het hof heeft [gewraakte voorzitter] in de gelegenheid gesteld, mede namens de gewraakte raadsheren, het woord te voeren, van welke gelegenheid [gewraakte voorzitter] gebruik heeft gemaakt.
Het hof heeft de hoofd-advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld het woord te voeren.
Het verzoek
Als redenen voor het verzoek tot wraking noemt verzoeker de redenen zoals deze genoemd zijn in de aan het hof gerichte brief d.d. 12 december 2002, welke brief aan deze beslissing zal worden gehecht en hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Ter terechtzitting heeft verzoeker het wrakingsverzoek nader toegelicht.
De beoordeling
Het hof overweegt als volgt.
Door de advocaat-generaal is de vraag opgeworpen of verzoeker ontvankelijk kan worden geacht in het wrakingsverzoek, nu dat is gericht tegen “de door u voorgezeten kamer”: de wet voorziet niet in collectieve wraking van een kamer.
Gelet op de omstandigheid dat de raadsman een kopie van deze brief aan ieder van de leden van de kamer persoonlijk heeft verzonden, verstaat het hof dat het de bedoeling van de raadsman is geweest om ieder van de leden persoonlijk te wraken, zoals ook kan worden afgeleid uit de voorlaatste alinea van zijn brief. Verzoeker kan derhalve in het verzoek worden ontvangen.
Het gerechtshof kent - behoudens in na te noemen gevallen - zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet inhoudelijk is aangevangen, als vaste praktijk de opheffing van de voorlopige hechtenis per de “fictieve v.i.-datum”, zijnde de dag waarop - ware er geen hoger beroep ingesteld - de verdachte in vrijheid zou zijn gesteld op grond van het bepaalde in artikel 15 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Uitzondering op deze praktijk wordt slechts gemaakt wanneer er sprake is van een strafmaatappel zijdens het openbaar ministerie danwel wanneer het openbaar ministerie heeft geappelleerd van een vrijspraak van hetzij een cumulatief ten laste gelegd feit, hetzij van een primair ten laste gelegd feit. In casu doen genoemde uitzonderingsgevallen zich niet voor.
De in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 10 december 2002 opgenomen extra- redengeving van de afwijzing van de aldaar gedane verzoeken, luidende: “… en voorts naar het oordeel van het hof op voorhand niet uit te sluiten valt dat in hoger beroep een hogere straf zal worden opgelegd dan in eerste aanleg“, kan het voorbijgaan aan de vorenomschreven vaste praktijk niet dragen. Ook de mededeling van de advocaat-generaal, ter zitting van 10 december 2002 gedaan, dat zij voornemens is zich aan te sluiten bij de eis in eerste aanleg (welke hoger was dan de opgelegde straf), doet aan het vorenstaande niet af.
Nu het hof – naast de eerdergenoemde uitzonderingsgronden – ook overigens geen bijzondere grond heeft aangetroffen die de afwijking van de standaardpraktijk zou kunnen rechtvaardigen, is bij de verdachte door de afwijzing van het verzoek het objectief gerechtvaardige vermoeden kunnen rijzen dat het hof jegens hem een vooringenomenheid koesterde.
Op grond van het vorenstaande dient het verzoek tot wraking gegrond te worden verklaard.
De beslissing
Verklaart het verzoek tot wraking van mrs. [gewraakte voorzitter], [gewraakte oudste raadsheer] en [gewraakte jongste raadsheer] gegrond.
Aldus gedaan in de raadkamer van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 19 december 2002
door mr. Hendriks, voorzitter, en mrs. De Poorter en Ficq, raadsheren, in tegenwoordigheid van
dhr. Koningstein, als griffier.