ECLI:NL:GHSHE:2002:AE9816

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R2002000127
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Koens
  • Drijkoningen
  • Den Hartog Jager
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 5 Fw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens bovenmatige schulden en niet-nakoming verplichtingen

Appellanten X. en Y., gehuwd in gemeenschap van goederen, waren onderworpen aan een schuldsaneringsregeling die door de rechtbank te Breda definitief was vastgesteld op 12 oktober 1999. Tijdens de looptijd van deze regeling hebben zij nieuwe schulden gemaakt, waaronder een krediet van ruim €41.000 voor de aanschaf van een chalet en een auto. Tevens hebben zij nagelaten het arbeidsinkomen van Y. op de boedelrekening te storten.

De rechtbank stelde op 1 maart 2002 vast dat appellanten tekort waren geschoten in hun verplichtingen en beëindigde de schuldsaneringsregeling, waardoor zij automatisch in staat van faillissement kwamen. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep en stelden dat de aanschaf van de auto noodzakelijk was voor werkverkeer en dat de aankoop van het chalet was bedoeld om de psychisch-sociale omstandigheden van hun dochter te verbeteren.

Het hof erkent de beweegredenen van appellanten, maar oordeelt dat de aanschaf van het chalet lichtzinnig was gezien hun financiële situatie. Professionele hulpverlening was een beter alternatief geweest. Het hof benadrukt dat appellanten wisten dat zij geen nieuwe bovenmatige schulden mochten aangaan en dat inkomsten op de boedelrekening gestort moesten worden. Gezien de tekortkomingen bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en bevestigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens het ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden en niet-nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch
Arrest
X.,
Wonende te P.,
appellant,
hierna te noemen X.,
procureur mr. J.J.F. van de Voort,
en
Y.,
wonende te P.,
appellant,
hierna te noemen Y.,
procureur mr. J.J.F. van de Voort.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar gegeven beslissing van de rechtbank te Breda d.d. 1 maart 2002 waarvan beroep, waarvan de inhoud aan partijen bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 maart 2002, hebben X. en Y. het hof verzocht het voormelde vonnis te vernietigen en te verstaan dat op hen de schuldsaneringsregeling van toepassing blijft.
2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 april 2002. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadsman gehoord, alsmede bewindvoerder de heer P.J.F.M. Vermaat.
2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de producties overgelegd bij het beroepschrift;
- het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank te Breda d.d. 1 maart 2002.
3. De gronden van het hoger beroep
Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. Appellanten zijn in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten.
4.2. Bij het vonnis van de rechtbank te Breda d.d. 12 oktober 1999 heeft de rechtbank op X. en Y. de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Op 1 maart 2002 heeft de rechtbank vastgesteld dat X. en Y. toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Sanieten hebben gedurende de looptijd van de saneringsregeling bovenmatige schulden laten ontstaan en Y. heeft het door haar genoten inkomen uit arbeid niet op de boedelrekening bij de bewindvoerder gestort. Op grond daarvan heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd, waardoot X. en Y. op grond van artikel 350 lid 5 Fw Pro van rechtswege is staat van faillissement zijn komen te verkeren met ingang vvan de dag waarop de uitspraak tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde is gegaan.
Tegen de uitspraak van de rechtbank zijn appellanten in hoger beroep gekomen.
4.3.1. Tijdens de behandeling in hoger beroep is gebleken dat de totale schuldenlast waarvoor destijds om toepassing van de schuldsaneringsregeling is verzocht per 2 september 1999 circa €34.941,- (f.77.000,--) heeft bedragen. Per december 2001 hebben X. en Y. een nieuw krediet bij de ABN-AMRO afgesloten ten bedrage van €41.634,-. Dit krediet hebben zij gebruikt voor de aanschaf van een chalet en van een auto.
4.3.2. X. brengt ter zitting in hoger beroep naar voren dat de aanschaf van een auto noodzakelijk was om dit verband met zijn arbeid van en naar het werk te rijden.
Met de aankoop van het vakantiehuisje hebben X. en Y. beoogd de psychisch-sociale omstandigheden van hun dochter te verlichten die jarenlang door een buurtbewoner seksueel is misbruikt. Met de arbeisinkomsten van Y. ten bedrage van circa €358,- (f.790,-) per maand, lost zij de lening bij ABN-AMRO af.
4.4.1. Hoewel het hof kan begrijpen dat X. en Y. de sociaal-psychische omstandigheden waarin hun dochter verkeert, hebben willen verbetren, heeft - gegeven de financiële omstandigheden waarin sanieten verkeren - de aankoop van een chalet door hen op lichtzinnige wijze plaatsvonden. Om hun dochter te kunnen helpen hadden sanieten ook professionele hulpverlening kunnen inschakelen.
X. en Y. wisten dan wel hadden behoren te weten dat de verplichtingen die voor hen uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling voortvloeienden, onder meer inhielden dat zij tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe bovenmatige schulden mochten aangaan en dat gegenereerde arbeidsinkomsten op de boedelrekening bij de bewindvoerder dienen te worden gestort. Deze verplichtingen zijn door sanieten geschonden; zij hebben tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling nieuwe bovenmatige schulden laten ontstaan en hebben nagelaten om gegeneerde arbeidsinkomsten op de boedelrekening van de bewindvoerder te storten.
4.4.2. Het door de raadsman ter zitting gestelde dat de crediteuren door de nieuwe schuld niet zijn benadeeld omdat deze schuld uit de extra verdiensten van de vrouw wordt afgelost en er inmiddels zoveel is gespaard dat de schuldeisers voor een groot gedeelte kunnen worden voldaan, treft geen doel, omdat op grond van de schuldsaneringsregeling de volledige inkomsten van de vrouw de boedel ten goede hadden behoren te komen.
4.5. Het hof komt dan ook, op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is gebleken, tot de conclusie dat appellanten zijn tekortgeschoten in de uit de toepassing van de schuldsaneringsregeliong voor hen voortvloeiende verplichtingen.
Het hof ziet geen aanleiding om anders te beslissen dan de rechtbank. Het bestreden vonnis van de rechtbank te Breda dient te worden bekrachtigd.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Breda van 1 maart 2002.
Dit arrest is gewezen door mrs. Koens, Drijkoningen en Den Hartog Jager en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 mei 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.