ECLI:NL:GHSHE:2001:AE9798

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R200100755
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Lamers
  • Van Teeffelen
  • Fikkers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 onder e Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

Appellant heeft bij het hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda, waarin zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Uit de stukken blijkt dat appellant een aanzienlijke schuldenlast had, waarvan een deel door loonbeslag werd geïncasseerd.

Tijdens de zitting verklaarde appellant dat zijn schulden mede voortkwamen uit het voortijdig afbreken van zijn studie en een gokverslaving, waarvan hij inmiddels genezen is. Hij had sinds 1998 wisselende inkomsten en moest zijn baan bij ABN/Amro opgeven vanwege loonbeslagen. Sinds maart 2000 had hij een vaste baan met een netto maandsalaris van ongeveer €2.500.

Het hof oordeelde dat de door appellant aangedragen informatie onvoldoende was om aannemelijk te maken dat hij te goeder trouw was in het ontstaan en voortbestaan van zijn schulden. Ook had appellant nagelaten om met schuldeisers tot aflossingsregelingen te komen, ondanks voldoende inkomen. Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het hof benadrukte dat appellant in de toekomst opnieuw een verzoek kan indienen, mits hij meer en betere informatie verstrekt, zoals verklaringen van de bank en hulpverleners, en een gedocumenteerd overzicht van zijn schulden en aflossingsinspanningen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afwijst wegens onvoldoende goede trouw van appellant.

Uitspraak

Gerechtshof te 's-Hertogenbosch
Arrest
X.,
Wonende te P.,
Appellante
Procureur: mr. K.T.W.H. van den Dungen.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar het door de rechtbank te Breda, op verzoek van thans appellant, gewezen vonnis van 20 november 2001, waarvan de inhoud bij hem bekend is.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 27 november 2001, heeft appellant verzocht voormelde beslissing te vernietigen en alsnog de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren, kosten rechtens.
2.2. Het hof voorts kennis genomen van de inhoud van:
de producties overgelegd bij beroepschrift;
de brief van de raadsman van appellant van 7 december 2001 met bijlage;
ter zitting door dezelfde raadsman overgelgde aantekeningen.
2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 december 2001 en bij die gelegenheid zijn appellant en zijn raadsman gehoord.
3. De gronden van het hoger beroep
Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.
4. De beoordeling
4.1. De rechtbank te Breda heeft naar aanleiding van een verzoek van thans appellant strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afwijzend beslist bij het vonnis, waarvan beroep, en tegen die beslissing is appellant opgekomen.
4.2. Uit de overgelgde stukken, meer in het bijzonder de verklaring schuldsanering ex art. 285 lid 1 onder Pro e Fw., is gebleken dat appellant een totale schuldenlast heeft van ongeveer f.79.343,- waarvan een belangrijk deel namens schuldeisers door middel van een loonbeslag wordt geïncasseerd door PVU- gerechtdeurwaarders te Breda, deurwaarderskantoor De Wit/VIssers & Partners te Roosendaal, alsmede deurwaarderskantoor Rosmalen te Breda.
4.3. Appellant heeft ter zitting omtrent het ontstaan van zijn aanmerkelijke schuldenlast slechts verklaard dat hij tot zijn werkaanvaarding bij de ABN/Amro in december 1998 een aantal malen gepoogd heeft zijn studie te hervatten maar dat hij die studie steeds voortijdig heeft afgebroken. Tengevolge daarvan dient hij (zoals hij overigens wist) de aan hem door de IBG te Groningen verstrekte studiebijdrage terug te betalen. Tussentijds heeft hij slechts af en toe gewerkt en dus gedurende perioden geen inkomsten genoten. Zijn baan bij de ABN/Amro heeft hij in maart 2000 moeten opgeven omdat de bank het vervelend vond dat er steeds deurwaarders kwamen om loonbeslag te leggen. Sinds maart 2000 heeft hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Datelnet te Den Bosch tegen een netto maandloon van ongeveer f.2.500. Appellant heeft verder nog verklaard in de afgelopen jaren te zijn gaan gokken in de hoop daarmee zodanog extra inkmen te genereren om de schulden te kunnen oplossen. Dit heeft geresulteerd in een gokverslaving waarvan hij inmiddels met hulp van het Kentron is afgekickt.
4.4. Hetgeen door appellant met betrekking tot zijn schuldenlast naar voren is gebracht is naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende om de tot standkoming en het laten lopen en voortbestaan van die schuldenlast aannemelijk te maken. Daarnaast is gebleken dat appellant zich in het verleden op enigerlei wijze verantwoordelijk heeft getoond ten aanzien van zijn schuldeisers.Zo heeft appellant nagelaten op zijn eigen kracht dan wel met hulp van bijvoorbeeld maatschappelijk werk te komen tot een aflossingsregeling, terwijl hij toch in ieder geval sedert 1998 behoorlijke inkomesten uit arbeid heeft genoten.
4.4.1. Het hof is op grond van hetgeen hierboven is overwogen van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat appellant ten aanzien van het ontstaan en het verder laten oplopen van de schulden tot het hierboven vermelde totale bedrag niet te goeder trouw is geweest. Dat betekent dat het vonnis, waarvan beroep, moet worden bekrachtigd.
4.5. Het hof merkt wellicht ten overvloede op dat deze beslissing onverlet laat de mogelijkheid dat appellant zich na enige tijd wederom kan wenden tot de rechtbank met een verzoek tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Daartoe dient appellant naat het oordeel van het hof meer thans het geval is geweest aanvullende informatie aan de rechter te verstrekken. Daarbij kan worden gedacht aan een verklaring van de ABN/Amro bank NV met vermelding van de gronden waarom appellant aldaar zijn dienstverband heeft moeten beëindigen en een verklaring van de door hem ingeschakelde hulpverlenende organisatie inhoudende dat appellant van zijn gokverslaving afdoende is genezen, alsmedeeen gedocumenteedrde opgave met betrekking tot het ontstaan, omvang en het verloop van de door hem aangegane schulden mer vermelding van de schuldeisers en hetgeen door hem inmiddels gedaan is in het kader van het treffen van aflossing.
5. Uitspraak
Het hof:
Bekrachtigt het door de rechtbank te Breda op 20 november 2001 gewezen vonnis, waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. Lamers, Van Teeffelen en Fikkers en uitgesproeken ter openbare terechtzitting van dit hof van 14 december 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.