ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8105
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Huurman-van Asten
- Ficq
- Wagemakers
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet ontvankelijk wegens ongelijkwaardige vervolging bij teelt softdrugs
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het bezit van negen cannabisplanten, waarbij zij verklaarde deze samen met haar partner te hebben gehad. Volgens de richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake de Opiumwet geldt een aantal tot vijf planten per persoon als geringe hoeveelheid voor eigen gebruik, waarvoor politiesepot wordt aanbevolen. De advocaat-generaal vorderde echter vervolging en strafoplegging omdat de verdachte negen planten bezat, wat volgens de richtlijn een boete van 50 gulden per plant rechtvaardigt.
Het hof stelde vast dat de verdachte tijdens de zitting in hoger beroep en eerder tegenover de politie had verklaard dat zij samen met haar partner de planten bezat. Het hof oordeelde dat de partner redelijkerwijs als medeverdachte had moeten worden aangemerkt, maar dat het opsporingsonderzoek zich alleen op de verdachte had gericht. Hierdoor ontstond een ongelijkwaardige situatie waarbij de verdachte in een ongunstiger strafvorderlijk regime terechtkwam.
Het hof concludeerde dat het enkel vervolgen van de verdachte zonder haar partner willekeurig was en in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Daarom verklaarde het hof het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de strafvervolging en vernietigde het het vonnis van de politierechter.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet ontvankelijk verklaard in de strafvervolging wegens ongelijkwaardige vervolging.