ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6864
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag overdrachtsbelasting na ruilverkaveling en verdeling nalatenschap
Belanghebbende was het niet eens met de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd door de Inspecteur naar aanleiding van de verkrijging van een onroerende zaak na een ruilverkaveling en verdeling van een nalatenschap.
De kern van het geschil betrof de vraag of de ruilverkaveling en de verdeling van de onroerende zaak in de nalatenschap aan de toepassing van artikel 3, onderdeel a of b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer in de weg staan. Belanghebbende stelde dat dit niet het geval was, terwijl de Inspecteur dit wel betwistte.
Het hof oordeelde dat door de inschrijving van de akte van toedeling in het kader van de Landinrichtingswet eerdere verkrijgingen hun betekenis verliezen, waardoor de verkrijging na de ruilverkaveling niet als een verkrijging krachtens erfrecht kan worden aangemerkt. De stelling van belanghebbende dat artikel 3:186 lid 2 BW Pro hieraan in de weg staat, werd verworpen omdat artikel 208 lid 2 van Pro de Landinrichtingswet als lex specialis geldt.
Daarom werd de naheffingsaanslag bevestigd. Het hof wees ook de grief van belanghebbende af dat de belastingheffing onredelijk zou zijn, omdat dit niet ter beoordeling van de administratieve rechter staat.
Proceskosten werden niet toegewezen. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en wijst het beroep van belanghebbende af.