ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6623
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dienstbetrekking en invorderingsvrijstelling inkomstenbelasting 1995
Belanghebbende was in dienstbetrekking bij Taxibedrijf L B.V., waarvan haar echtgenoot directeur en enig aandeelhouder was. Na naamswijziging in A B.V. en wijziging van activiteiten bleef zij werkzaamheden verrichten, waaronder administratieve taken, waarvoor zij een vergoeding van 4.500 gulden ontving.
De kern van het geschil betrof de vraag of deze vergoeding als loon uit dienstbetrekking moest worden beschouwd, hetgeen bepalend was voor de toepassing van de invorderingsvrijstelling op grond van artikel 65 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof oordeelde dat ondanks de wijziging van de activiteiten en de naamswijziging, de feitelijke rechtsverhouding en werkzaamheden wezen op voortzetting van de dienstbetrekking. Belanghebbende slaagde er niet in het vermoeden van dienstbetrekking te ontzenuwen.
Daarom werd de bestreden uitspraak bevestigd en de invorderingsvrijstelling niet toegepast. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De vergoeding van 4.500 gulden wordt als loon uit dienstbetrekking aangemerkt, waardoor de invorderingsvrijstelling niet van toepassing is.