ECLI:NL:GHSHE:2000:AA5992
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag inkomstenbelasting wegens vrijstelling AWBZ en premieplicht na beëindiging Duitse verzekering
Belanghebbende, een in Nederland woonachtige Belgische staatsburger, werkte tot 1 juli 1993 in Duitsland en viel tot die datum onder de Duitse socialezekerheidswetgeving. Vanaf die datum ontving hij een invaliditeitspensioen uit Duitsland en België en was hij vrijgesteld van de AWBZ-verzekeringsplicht in Nederland. Het geschil betrof de vraag of hij vanaf 1 juli 1993 premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen.
Het hof oordeelde dat belanghebbende vanaf 1 juli 1993, na beëindiging van zijn Duitse verzekering, op grond van artikel 13 lid 2 onderdeel Pro f van Verordening 1408/71 onderworpen was aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, ondanks zijn banden met België. De Inspecteur mocht hem daarom premies voor AOW, AWW en AAW opleggen, maar niet voor de AWBZ, waarvoor belanghebbende vrijstelling had.
De aanslag werd verminderd met de ten onrechte geheven AWBZ-premie van ƒ 229,=. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van ƒ 752,= en het door belanghebbende betaalde griffierecht van ƒ 80,=. Het hof benadrukte dat de belastingrechter niet bevoegd is om de redelijkheid van de wetgeving of toepassing van hardheidsclausules te toetsen.
Uitkomst: De aanslag wordt verminderd met de ten onrechte geheven AWBZ-premie en de Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.