ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ8309
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van den Wildenberg
- Van Leuven
- Roelvink
- Rechtspraak.nl
Omgangsregeling en ondertoezichtstelling minderjarige bij gebrekkige samenwerking ouders
In deze zaak staat de omgang tussen de vader en de minderjarige, alsmede het gezag over het kind centraal. De moeder is tegen de omgangsregeling en vreest dat omgang ernstig nadeel oplevert voor de ontwikkeling van het kind vanwege haar diepgeworteld wantrouwen jegens de vader en eerdere mishandelingen. De vader stelt dat omgang in het belang van het kind is en dat de moeder haar verplichting tot het bevorderen van de omgang niet nakomt.
De rechtbank had een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader de minderjarige om de veertien dagen op woensdag- en vrijdagmiddag mag ontmoeten. De vader verzocht tevens om het eenhoofdig gezag, wat werd afgewezen. Het hof overweegt dat het kind recht heeft op omgang, tenzij sprake is van ernstige nadelige omstandigheden, die hier niet zijn vastgesteld.
Het hof constateert dat de omgang niet van de grond komt vanwege het wantrouwen van de moeder en de negatieve invloed daarvan op het kind. Het omgangshuis heeft meerdere pogingen gedaan om de omgang te begeleiden, maar zonder succes. Daarom wordt de minderjarige onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg om opvoedingsondersteuning te bieden en de omgang te begeleiden.
De omgangsregeling wordt gehandhaafd en het gezag blijft ongewijzigd bij de moeder. Het hof benadrukt het belang van samenwerking tussen ouders en het belang van het kind bij het opbouwen van een relatie met de vader, ook voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarige.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de omgangsregeling en stelt de minderjarige onder toezicht van Bureau Jeugdzorg, waarbij het gezag bij de moeder blijft.