ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ2626

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
18 juli 2012
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.102.035-01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Leuven
  • Van Dijk
  • Van Wijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:200 BWArt. 8 EVRMArt. 44 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling wettelijke termijn ontkenning vaderschap en strijd met EVRM

De man verzocht om ontkenning van zijn vaderschap over zijn jongmeerderjarige kind, geboren tijdens zijn huwelijk met de vrouw. Hij stelde dat de wettelijke termijn van één jaar voor het indienen van een dergelijk verzoek, zoals bepaald in artikel 1:200, vijfde lid, BW, een onrechtmatige inmenging vormt in zijn familie- en gezinsleven en daarmee strijdig is met artikel 8 EVRM Pro.

Het hof stelde vast dat de man zijn verzoek niet binnen de wettelijke termijn had ingediend en dat hij geen overtuigende redenen had gegeven waarom de termijn niet toegepast zou moeten worden. De belangen van het kind en de gemeenschap bij rechtszekerheid en het voorkomen van langdurige onzekerheid over identiteit werden zwaarwegend geacht.

Hoewel de man stelde dat hij pas later bekend werd met de vermoedelijke niet-verwekking en dat de moeder destijds dronken was, achtte het hof deze omstandigheden onvoldoende om de termijn te negeren. Het hof concludeerde dat de wettelijke termijn geen ontoelaatbare inmenging vormt in het door artikel 8 EVRM Pro beschermde familie- en gezinsleven.

Daarom vernietigde het hof de bestreden beschikking van de rechtbank die de man niet-ontvankelijk had verklaard, maar wees het verzoek inhoudelijk af. Het belang van rechtszekerheid en bescherming van het kind prevaleert boven het belang van de man om de juridische situatie aan te passen aan de feitelijke situatie.

Uitkomst: Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap wordt afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke termijn zonder ontoelaatbare inmenging in het familie- en gezinsleven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 18 juli 2012
Zaaknummer : 200.102.035/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 10-10596
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. Y. Özdemir te 's-Gravenhage,
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de jongmeerderjarige],
geboren [in 1992] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [de jongmeerderjarige].
Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vrouw.
In verband met het bepaalde in artikel 44 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de advocaat-generaal van het ressortsparket ’s-Gravenhage,
hierna te noemen het openbaar ministerie.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 14 februari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 november 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage.
Bij het hof is van de zijde van de man op 6 maart 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage ingekomen.
Het openbaar ministerie heeft bij faxbericht van 12 juni 2012 zijn conclusie van diezelfde datum aan het hof overgelegd, met de mededeling niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.
De zaak is op 14 juni 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting was aanwezig:
- mr. P.R.L.V.M. Kruik (kantoorgenoot van de advocaat van de man).
De man, [de jongmeerderjarige] en de moeder zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de rechtbank de man in zijn verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning door hem van het vaderschap over [de jongmeerderjarige] niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
- de man en de vrouw zijn van 26 juni 1990 tot 14 maart 1994 gehuwd geweest;
- gedurende dit huwelijk is [in 1992] te [geboorteplaats] uit de vrouw [de jongmeerderjarige] geboren.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de ontkenning van het vaderschap van de man over [de jongmeerderjarige].
2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zijn verzoek tot ontkenning van het vaderschap over [de jongmeerderjarige] gegrond verklaren.
Ter onderbouwing van het hoger beroep stelt de man dat de termijnstelling zoals vermeld in artikel 1:200, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek een inmenging oplevert in het family life en dat daarvoor geen rechtvaardiging als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM Pro kan worden gevonden. Het belang van de man is daarin gelegen dat aansluiting dient te worden gezocht bij de biologische en maatschappelijke werkelijkheid, aldus de man.
3. Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. In navolging van de rechtbank concludeert het openbaar ministerie dat een termijnstelling zoals bepaald in voormeld artikel in beginsel geen ongerechtvaardigde inmenging in het family life van betrokkenen met zich meebrengt, temeer nu de man niet kan aangeven waarom dit verzoek niet eerder is ingediend en waarom hij er belang bij heeft dat het verzoek thans wordt toegewezen.
4. [de jongmeerderjarige] heeft geen inzicht gegeven in zijn visie op of gevoelens over het verzoek van de man.
5. De vrouw heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd maar is wel ter zitting aanwezig geweest. Zij heeft erkend dat een ander dan de man de verwekker van [de jongmeerderjarige] is. Voorts heeft zij verklaard dat de man direct na de geboorte van [de jongmeerderjarige] bekend is geworden met de omstandigheid dat hij vermoedelijk niet de verwekker van [de jongmeerderjarige] is.
6. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de man zijn verzoek niet heeft ingediend binnen de door de wet gestelde termijn van één jaar nadat hij bekend is geworden met de omstandigheid dat hij vermoedelijk niet de verwekker is van [de jongmeerderjarige]. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de bestreden beschikking onjuist is omdat hem pas één of twee jaren na de geboorte bekend is geworden dat hij vermoedelijk niet de verwekker is van [de jongmeerderjarige] en dat de vrouw op dat moment dronken was. Ook als deze stellingen van de man juist zouden zijn, heeft hij nog steeds ruimschoots buiten de door de wet gestelde termijn zijn verzoek ingediend.
7. De vraag die derhalve aan het hof voorligt is of in de onderhavige zaak de onverkorte toepassing van de in artikel 1:200, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) gestelde termijn een ontoelaatbare inmenging oplevert in het door artikel 8 van Pro het Europese Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), beschermde familie- en gezinsleven (family life).
8. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vloeit voort dat een begrenzing in de tijd op zichzelf niet in strijd is met het EVRM, gelet op de doelen van rechtszekerheid en de belangen van kinderen die daarmee gediend zijn. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van strijd met het EVRM dient het belang van het individu - de man – te worden afgewogen tegen het belang van de andere belanghebbenden, met name het kind en dat van de gemeenschap, omdat de in de wet gestelde termijnen noodzakelijk zijn in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en ter bescherming van de belangen van het kind.
Ook in hoger beroep heeft de man zijn belang bij het verzoek niet nader onderbouwd, behalve dat hij meent dat de juridische situatie in overeenstemming dient te zijn met de feitelijke situatie. Daarnaast is van de zijde van de man ter zitting aangevoerd dat de families van partijen geen contact meer met elkaar wensen, maar dit staat geenszins vast, nu deze stelling pas eerst ter zitting is aangevoerd en de overige betrokkenen niet in staat zijn geweest om zich daarover nog uit te laten.
Het belang van de gemeenschap en dat van de minderjarige is gelegen in de rechtszekerheid en het voorkomen dat [de jongmeerderjarige] onnodig lang in onzekerheid over zijn identiteit verkeert. Hoewel [de jongmeerderjarige] geen verweer heeft gevoerd, kan er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat hij instemt met het verbreken van de juridische band tussen de man en hem.
9. Het door de man gestelde belang weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het belang van de gemeenschap en dat van de minderjarige in een mate dat de bij wet gestelde termijn met een beroep op het EVRM in deze zaak terzijde moet worden gesteld.
10. Dit brengt mee dat het hof van oordeel is dat toepassing van de wettelijke termijn in deze zaak geen ontoelaatbare inmenging oplevert in het door artikel 8 EVRM Pro beschermde familie- en gezinsleven.
11. De rechtbank heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Het hof is evenwel van oordeel dat het voormelde oordeel niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar tot afwijzing van het verzoek. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de man afwijzen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking;
wijst het inleidend verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van Dijk en Van Wijk, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2012.