ECLI:NL:GHSGR:2012:BY9707

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.023.118/02
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Leuven
  • Kamminga
  • Mink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:408 lid 5 BWArt. 1:408 lid 6 BWWet van 23 maart 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over opslag- en executiekosten kinderalimentatie na inning door LBIO

De man is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis waarin hij werd veroordeeld tot betaling van opslag- en executiekosten aan het LBIO over een periode vanaf februari 2002. Hij voerde aan dat hij geen opslagkosten verschuldigd was omdat hij betalingen rechtstreeks aan de moeder had gedaan en dat een tussen hen gesloten overeenkomst de inning door het LBIO zou beïnvloeden.

Het hof oordeelde dat de man de wettelijke eis van regelmatige betalingen aan het LBIO niet had nageleefd en dat de inning pas eindigt na zes maanden van regelmatige betalingen aan het LBIO zonder achterstand. De brief van het LBIO uit 2002 werd als rechtsgeldige kennisgeving aangemerkt, ondanks het ontbreken van een ontvangstbevestiging.

Verder stelde het hof dat de overeenkomst tussen de man en de moeder het LBIO niet bindt en dat het LBIO een eigen aanspraak heeft op de opslag- en executiekosten. Het hof verwierp alle grieven van de man en bekrachtigde het vonnis, waarbij de man tevens werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof verwierp het beroep van de man en bekrachtigde het vonnis dat hij opslag- en executiekosten aan het LBIO verschuldigd is.

Uitspraak

RECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.023.118/02
Rolnummer rechtbank : HA ZA 07-1236
arrest d.d. 13 november 2012
inzake
de man,
wonende te A,
appellant,
advocaat: mr. A.D. Sunter te Amsterdam,
tegen
de rechtspersoon volgens artikel 2 lid 2 van Pro de Wet van 23 maart 1995, houdende regeling van de organisatie belast met de inning van onderhoudsbijdrage voor kinderen en met de vaststelling en inning van ouderbijdragen voor jeugdhulpverlening
het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen,
hierna te noemen: het LBIO,
gevestigd te Gouda,
advocaat: mr. A. Schippers te ‘s-Gravenhage.
Het geding
Bij exploot van 18 december 2008 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 24 september 2008, door de de rechtbank ‘s-Gravenhage, gewezen tussen partijen, hierna: het bestreden vonnis. Op de rolzitting van 27 januari 2009 is de zaak aangebracht.
Ter rolzitting van 21 april 2009 is de memorie van grieven genomen, met een produktie. De man voert vijf grieven aan. Op 19 juni 2012 is de memorie van antwoord genomen, waarin de grieven worden bestreden. Op 17 juli 2012 heeft het LBIO de processtukken overgelegd en arrest gevraagd.
Het bestreden vonnis
De rechtbank heeft het navolgende beslist:
• de opslagkosten die de man over de periode van februari 2002 tot 10 april 2007 aan het LBIO verschuldigd is, zijn bepaald op € 1.585,22;
• de executiekosten die de man aan het LBIO verschuldigd is zijn bepaald op € 3.611,72;
• de man is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het LBIO, begroot op € 1.381,00;
• ter zake de proceskostenveroordeling is het vonnis uitvoerbaar bij voorraad bepaald;
• het meer of anders verzochte is afgewezen.
De vorderingen in het hoger beroep
De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de man in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, te weten dat het het hof behage bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de man aan het LBIO geen opslagkosten over door hem verschuldigde en door hem betaalde kinderalimentatie verschuldigd is over de periode vanaf februari 2002 tot heden, althans een door het hof vast te stellen periode, noch de daaruit voortvloeiende c.q. daarmee samenhangende executiekosten, althans te bepalen welk bedrag de man mogelijkerwijs aan opslag- c.q. executiekosten aan het LBIO verschuldigd is, met veroordeling van het LBIO in de kosten van beide instanties.
Het LBIO bestrijdt de stellingen en het verzoek van de man in het hoger beroep en verzoekt het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen, de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel hem zijn vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
De feiten
De feiten als vermeld in het vonnis onder 2., 2.1 t/m 2.25 worden niet bestreden en staan derhalve vast.
De grieven en het verweer
Met grief 1 stelt de man aan de orde dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op aantekeningen van mr. Sunter, gehecht aan de nadere akte uitlating zijdens de man van 21 mei 2008. De man heeft bedoelde aantekeningen in hoger beroep opnieuw overgelegd bij de memorie van grieven (produktie 1).
Het hof stelt vast dat, wat er ook zij van de beslissing van de rechtbank en de daarvoor gegeven motivering, het overleggen van de aantekeningen bij de memorie van grieven tot gevolg heeft dat deze aantekeningen (alsnog) onderdeel zijn gaan vormen van het debat tussen de partijen in hoger beroep. Het LBIO was dus in de gelegenheid om daar bij memorie van antwoord op te reageren en heeft dat ook gedaan. Het hof zal de aantekeningen, voorzover daaraan wordt gerefereerd in de memorie van grieven en voor zover relevant, in de beoordeling betrekken. Aan de grief komt verder geen betekenis toe. Voorzover de rechtbank in eerste aanleg ten onrechte geen kennis zou hebben genomen van de aantekeningen wordt deze (eventuele) misslag ondervangen door het hoger beroep.
Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de door het LBIO verstuurde brief van 17 september 2002 als een aankondigingsbrief als bedoeld in artikel 1:408 lid 5 BW Pro moet worden aangemerkt en dat de man (dientengevolge) vanaf februari 2002 invorderingskosten aan het LBIO verschuldigd was. De man erkent de brief te hebben ontvangen, echter betwist wordt dat de man had moeten beseffen dat het de kennisgeving betrof van een voorgenomen invordering. De man stelt dat niet de formaliteit van het verzenden met bericht van ontvangstbevestiging in acht is genomen door het LBIO en voorts dat de toonzetting van de brief de man op het verkeerde been heeft gezet: hij ervoer de inhoud meer als een drukmiddel. Het LBIO stelt dat het al dan niet voldaan zijn aan het vereiste van (het verzenden met) een bewijs van ontvangst in dit geval geen belemmering vormt om de inning over te nemen, nu vast staat dat appellant de aankondiging heeft ontvangen. Voorts is de inhoud van de brief duidelijk, aldus het LBIO.
Het hof overweegt dat de inhoud van de brief, bij conclusie van antwoord in eerste aanleg als productie 3 overgelegd, voldoet aan de daaraan door de wet, artikel 1: 408 lid 5 BW gestelde eisen. De wet zegt tevens dat de onderhoudsplichtige van het voornemen tot invordering over te gaan in kennis wordt gesteld bij bief met bericht van ontvangst. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het voorschrift van kennisgeving met bericht van ontvangst er toe dient te bewerkstelligen dat de gevolgen als bedoeld in artikel 1:408 BW Pro alleen intreden als vast staat dat de kennisgeving van het LBIO de onderhoudsplichtige daadwerkelijk bereikt. Het komt er op aan dat de onderhoudsplichtige van de inhoud van de brief op de hoogte is geraakt. Dat is hier het geval geweest. Indien de man de inhoud van de brief verkeerd heeft begrepen komt dat, gelet op de duidelijke bewoordingen, voor zijn risico.
De grief wordt verworpen.
Met grief 3 komt de man op tegen de overweging van de rechtbank dat de invordering slechts eindigt wanneer er gedurende zes maanden regelmatig is betaald en er geen betalingsachterstand meer is. De man wijst er in zijn toelichting op de grief op dat de man en de vrouw bij wijze van tussenoplossing op 12 juni 2003 een overeenkomst hebben gesloten, die er, mede inachtgenomen een vonnis in kort geding dat tussen de man en de vrouw werd gewezen op 30 oktober 2003, toe leidde dat per 30 oktober 2003 het achterstallige bedrag aan alimentatie was verrekend en betaald. Volgens de man dienen de vrouw en het LBIO in dit verband als één partij te worden gezien en vereenzelvigd. Het LBIO wijst er in reactie daarop op dat het wettelijk systeem een ander uitgangspunt kent: zodra het LBIO de inning heeft overgenomen, dient de man de bijdrage rechtstreeks aan het LBIO te betalen. De inning eindigt slechts als gedurende tenminste een half jaar rechtsreeks aan het LBIO is betaald en er geen achterstand meer bestaat. De gestelde afspraak doet daar in dit geval niet aan af. De afspraak bevestigt wel dat er ten tijde van de inschakeling van het LBIO, althans ten tijde van het verzenden van de brief van17 september 2002 door het LBIO (de aankondigingsbrief) een achterstand bestond.
Het hof stelt vast dat de man aan de wettelijke eis van de regelmatige betalingen aan het LBIO niet heeft voldaan. De stelling dat de vrouw en het LBIO dienen te worden vereenzelvigd vloeit niet uit de wet voort; het tegendeel is het geval. Ook de opslagkosten blijft de man verschuldigd wanneer hij na de overname van de inning door het LBIO de alimentatiebedragen rechtstreeks aan de vrouw is blijven voldoen. Juist is de stelling van het LBIO dat een overeenkomst tussen de man en de vrouw het LBIO niet bindt, in de zin dat het LBIO naast hetgeen uit de overeenkomst voortvloeit in gevallen als de onderhavige een eigen aanspraak op de onderhoudsplichtige kan behouden, zo als bijvoorbeeld die ter zake opslag- en executiekosten, welke zij kan verhalen op de man. Indien en voorzover deze opslagkosten meer zouden bedragen op de grond dat de vrouw heeft nagelaten het LBIO tijdig en juist te informeren over aan haar verrichte betalingen dan zonder dit nalaten het geval zou zijn, dan heeft de man voor dit meerdere mogelijk een vordering op de vrouw.
De grief faalt.
Grief 4 richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat de man opslag- en executiekosten verschuldigd is. Uit hetgeen ten aanzien van de grieven 2 en 3 is overwogen volgt reeds dat grief 4 niet slaagt. In de toelichting op grief 4 worden geen nieuwe of andere omstandigheden aangevoerd dan hetgeen ten grondslag is gelegd aan de grieven 2 en 3.
Grief 5 treft hetzelfde lot als grief 4 en behoeft geen verdere bespreking.
Gelet op het voorgaande zal het beroep van de man worden verworpen en het bestreden vonnis worden bekrachtigd. De man zal in de kosten van het hoger beroep worden verwezen.
Beslissing
Het hof:
verwerpt het beroep;
bekrachtigt het bestreden vonnis
en
veroordeelt de man te betalen aan het LBIO: de kosten van het hoger beroep, te specificeren als volgt:
griffierecht hoger beroep € 406,--
liquidatietarief hoger beroep € 894,--, in totaal € 1.300,--.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Leuven, Kamminga en Mink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2012 in aanwezigheid van de griffier.