ECLI:NL:GHSGR:2012:BY4706

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
12 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.109.385/01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Lückers
  • Husson
  • Kamminga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet van 2 mei 1990Art. 6, tweede lid, UitvoeringswetVerdrag van 25 oktober 1980 inzake burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep in kinderontvoeringszaak wegens appelverbod

In deze zaak heeft de vader hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage waarin de centrale autoriteit het verzoek tot teruggeleiding van zijn minderjarige kind niet in behandeling heeft genomen. De centrale autoriteit baseerde haar beslissing op het feit dat het verzoek niet voldeed aan de eisen van het HKOV, aangezien de moeder het eenhoofdig gezag had en de vader later ook gezag kreeg toegewezen.

Het hof heeft onderzocht of het hoger beroep ontvankelijk was. Uit artikel 6, tweede lid, van de Uitvoeringswet blijkt dat tegen dergelijke beschikkingen geen hoger beroep openstaat, behoudens cassatie in het belang der wet. De vader stelde dat hij een brief had ontvangen waarin werd vermeld dat hoger beroep openstond, maar het hof oordeelde dat aan mededelingen van de griffie geen rechten kunnen worden ontleend.

Het hof concludeerde dat geen van de uitzonderingen op het appelverbod van toepassing was, zoals onjuiste toepassing van een wetsartikel of essentieel vormverzuim. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk en handhaafde de beschikking van de centrale autoriteit.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens appelverbod.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 12 september 2012
Zaaknummer : 200.109.385/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-3759
[verzoeker],
wonende te [woonplaats]
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. G.A.S. Maduro te Rotterdam,
tegen
de Directie Control Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van centrale autoriteit als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, tot uitvoering van onder meer het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: HKOV),
gevestigd te ’s-Gravenhage,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de centrale autoriteit.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 5 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 juni 2012 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.
Op 16 augustus 2012 is de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep mondeling behandeld. Ter zitting was aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De centrale autoriteit is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij beschikking van 27 april 2012 heeft de centrale autoriteit beslist het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), niet in behandeling te nemen. De centrale autoriteit baseerde dit daarop dat de vader had gesteld dat de moeder was belast met het eenhoofdig gezag, dat zij in mei 2011 met de minderjarige naar het buitenland is vertrokken zonder toestemming van de vader en dat de vader door de rechtbank Rotterdam op 25 augustus 2011 eveneens met het gezag is belast, zodat het verzoek van de vader niet aan de eisen van het HKOV voldoet.
Bij bestreden beschikking is het verzoek van de vader - strekkende tot vernietiging van de beschikking van de centrale autoriteit van 27 april 2012 en het nemen van een met reden omklede beschikking die in haar plaats treedt, onder meer inhoudende het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar de Amerikaanse of Canadese centrale autoriteit door te sturen - ongegrond verklaard.
DE ONTVANKELIJKEID VAN HET HOGER BEROEP
1. De vader heeft beroep ingesteld tegen een beschikking als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet van 2 mei 1990, Stb. 202, tot uitvoering van onder meer het HKOV (hierna: Uitvoeringswet). Uit de laatste volzin van artikel 6, tweede lid, Uitvoeringswet blijkt dat tegen de beschikking van de rechtbank geen hogere voorziening openstaat behoudens cassatie in het belang der wet.
2. De vader voert aan dat hij een brief van de rechtbank heeft ontvangen, waarin wordt gesteld dat tegen de bestreden beschikking, voor zover daarin definitief is beslist, hoger beroep openstaat bij dit hof.
3. Tegen de op grond van artikel 6, tweede lid, Uitvoeringswet gegeven beschikkingen staan geen hogere voorzieningen open, behoudens cassatie in het belang der wet (artikel 6, tweede lid, laatste volzin, Uitvoeringswet). Uit vaste jurisprudentie (HR 29 maart 1985, LJN AG4989; NJ 1986/242 (Enka/Dupont) en HR 30 juni 2000, LJN AA6342; NJ 2000/674) blijkt dat een appelverbod kan worden doorbroken indien gesteld wordt dat:
- de rechter een artikel ten onrechte heeft toegepast;
- de rechter een artikel ten onrechte niet heeft toegepast;
- de rechter buiten het toepassingsgebied is getreden;
- er sprake is van essentieel vormverzuim.
Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een van deze gronden. De mededeling van de griffier dat tegen de bestreden beschikking hoger beroep open zou staan bij dit hof doet hier niet aan af. Immers, aan de mededelingen van de griffie over hoger beroep kan de vader geen rechten ontlenen, zo blijkt uit vaste jurisprudentie, waaronder de beschikking van 8 oktober 2008 van dit hof (LJN: BG0019).
4. Mitsdien wordt als volgt beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Husson en Kamminga, bijgestaan door Hogendoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2012.