ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2593

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
23 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.099.665-01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:277 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis opheffing executoriaal beslag boedelkosten faillissement

E&M Systems B.V. werd op 29 september 2004 failliet verklaard, waarna een curator werd aangesteld. De curator stelde een vordering in tegen appellant, welke bij onherroepelijk vonnis werd afgewezen, met een proceskostenveroordeling ten gunste van appellant van € 6.348,-. Appellant legde daarop executoriaal beslag op de boedelrekening.

De curator vorderde in kort geding opheffing van dit beslag, omdat het boedelactief benodigd is voor de voldoening van preferente vorderingen van andere boedelcrediteuren. De voorzieningenrechter wees deze vordering toe. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof stelde vast dat de vorderingen op de boedel groter zijn dan het beschikbare actief en dat het boedelactief rechtvaardig moet worden verdeeld volgens de rangorde van de vorderingen. Doorgang van de executie door appellant zou ertoe leiden dat deze ten onrechte voorrang krijgt boven preferente boedelcrediteuren.

Het belang van appellant bij voortzetting van de executie weegt niet op tegen het belang van een juiste verdeling van het boedelactief. De curator heeft bovendien toegezegd het faillissement niet af te wikkelen zolang procedures lopen. Het hof bekrachtigde daarom het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het executoriaal beslag van appellant op de boedelrekening wordt opgeheven en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.099.665/01
Rolnummer rechtbank : 408564 / KG ZA 11-1429
arrest van 23 oktober 2012
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. J.E.C. Reuser te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
tegen
Mr. Sander-Jan Berend DRIJBER,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van E&M SYSTEMS B.V.,
voor deze zaak woonplaats hebbende te Velp, gemeente Rheden,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. H.J. Ligtenbarg te Velp, gemeente Rheden.
1. De verdere loop van het geding
Bij tussenarrest van 14 februari 2012 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie is gehouden op 11 april 2012. De curator heeft een memorie van antwoord genomen. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
2. Beoordeling van het hoger beroep
2.1 De door de rechtbank in haar vonnis vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof gaat van die feiten uit.
2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende:
- E&M Systems B.V. is op 29 september 2004 in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van de curator als zodanig.
- De curator heeft een vordering tegen [appellant] ingesteld. Die vordering is bij onherroepelijk vonnis afgewezen. Daarbij is de curator veroordeeld om wegens proceskosten aan [appellant] een bedrag van € 6.348,- te voldoen .
- Ter zake van de proceskosten heeft [appellant] op de boedelrekening executoriaal beslag gelegd.
- In deze zaak heeft de curator - kort gezegd - in kort geding opheffing van dat beslag gevorderd.
- Bij het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 december 2011 is die vordering toegewezen.
2.3 Aan zijn vordering tot opheffing van het beslag legt de curator in wezen ten grondslag dat het boedelactief benodigd is voor de voldoening van andere vorderingen dan die van [appellant], welke andere vorderingen preferent zijn ten opzichte van de vordering van [appellant].
2.4 De grieven nopen tot beantwoording van de vraag of de vordering van de curator tot opheffing van het beslag terecht is toegewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.5 Vast staat dat de vorderingen op de boedel groter zijn dan het beschikbare actief.
2.6 Het boedelactief zal derhalve moeten worden aangewend op een wijze die recht doet aan de aanspraken - waaronder in voorkomend geval de preferentie daarvan - van elk van de boedelcrediteuren.
2.7 Doorgang van de door [appellant] verlangde executie zal tot gevolg hebben dat de vordering van [appellant] op de boedel (geheel) zal worden voldaan. Dat is slechts gerechtvaardigd indien bij een juiste aanwending van het boedelactief als onder 2.6 bedoeld de vordering van [appellant] ook zal moeten worden voldaan.
2.8 Of dat laatste zo is, is in geschil. Dat het standpunt van [appellant] - in wezen neerkomende op diens naar voorlopig oordeel alleszins verdedigbare stelling dat de vordering van het UWV ad € 27.737,35 lager in rang is dan zijn vordering - in een bodemprocedure zal worden gevolgd, kan thans niet met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen. Hetgeen in dit kort geding aanleiding geeft tot behoedzaamheid als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2002 (NJ 2003, 78). Daartoe is te meer reden nu het belang van UWV wellicht in die bodemprocedure verdedigd kan worden.
Doorgang van de executie heeft daardoor als bezwaar dat een situatie kan ontstaan waarin [appellant] meer geld ten laste van de boedel ontvangt dan waar hij recht op heeft.
2.9 Het belang van [appellant] om desondanks de executie te kunnen voortzetten is duidelijk van minder gewicht dan de belangen die worden gediend bij een juiste verdeling van het boedelactief, waarbij duidelijk is dat de aanspraken van alle betrokken crediteuren worden gerespecteerd. Dat het tot een dergelijke juiste verdeling kan komen is voldoende gewaarborgd, mede gelet op hetgeen de curator bij memorie van antwoord onder 89 heeft aangevoerd: "De Curator zal het faillissement niet afwikkelen zolang er een procedure loopt. De Curator zal het faillissement zelfs niet afwikkelen indien is aangekondigd dat er binnen redelijke termijn een procedure (hof: bedoeld is een bodemprocedure) aanhangig zal worden gemaakt."
2.10 De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat [appellant] geen (voldoende) in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan.
2.11 Hetgeen [appellant] in zijn grieven heeft aangevoerd doet aan het voorafgaande niet af. Ook als vast zou staan dat de curator de in grief XIV bedoelde selectieve betalingen heeft gedaan, kan daarin geen reden worden gevonden om bij de verdere afwikkeling van het faillissement [appellant] ten opzichte van derden een bevoorrechte positie toe te kennen.
2.12 De conclusie is dat het vonnis dient te worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] - als de in het ongelijk gestelde partij - in de kosten van het hoger beroep.
3. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de curator worden bepaald op € 291,- aan griffierecht en € 1.788 (tarief II, 2 punten) aan salaris voor de advocaat;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H.W. de Planque, A.A. Rijperman en R. van der Vlist, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2012 in aanwezigheid van de griffier.