ECLI:NL:GHSGR:2012:BX9514

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.105.106/01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Mink
  • Zander
  • De Haan-Boerdijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling contactregeling tussen vader en minderjarige in belang van het kind

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank over de zorg- en contactregeling met betrekking tot hun minderjarige kind. De moeder verzocht om aanpassing van de contactregeling, omdat zij meende dat de bestaande regeling niet in het belang van het kind was vanwege de versnipperde afspraken en slechte communicatie tussen de ouders.

De vader verzocht de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en stelde dat een wijziging juist onrust bij de minderjarige zou veroorzaken. Het hof constateerde dat de ouders nog te veel in ex-partnerproblematiek verwikkeld zijn, wat de verstandhouding en daarmee het belang van het kind schaadt. Het belang van het kind staat centraal en het is essentieel dat ouders constructief samenwerken.

Het hof oordeelde dat de bestaande regeling door de vele wisselingen niet geheel in het belang van de minderjarige kon worden geacht, mede gezien haar jonge leeftijd en gezondheidszorgen. Daarom werd het contact van maandagmiddag tot dinsdagochtend na het weekend bij de vader komen te vervallen. De overige contactafspraken werden bekrachtigd. Tevens werd de proceskostenverdeling vastgesteld dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof past de contactregeling aan door het contact van maandagmiddag tot dinsdagochtend te beperken en bekrachtigt de overige afspraken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 3 oktober 2012
Zaaknummer : 200.105.106/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8400
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.C. Kwakkelstein-Doornbos te Delft,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat voorheen mr. Th. Meijer, thans mr. M.J. Boers te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De moeder is op 11 april 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 januari 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.
De vader heeft op 31 mei 2012 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de moeder:
- op 1 mei 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 14 augustus 2012 een faxbericht met bijlagen.
De zaak is op 23 augustus 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij de beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de minderjarige: [naam], geboren op [datum] 2006 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige), met inachtneming van de in de beschikking vermelde afspraken, met ingang van 5 december 2011 bij de vader zal zijn:
- op maandag na school, waarbij de vader haar dinsdagochtend naar school brengt;
- op woensdag na school tot donderdagochtend, waarbij de vader haar op woensdag van school haalt en haar op donderdagochtend naar school brengt;
- eenmaal in de veertien dagen een weekend, ingaande vrijdag na school tot zondagmiddag tussen 12.00 en 13.00 uur, waarbij de vader haar van school haalt en op zondag terugbrengt naar de moeder;
- tijdens de zomervakantie twee weken aaneengesloten en de helft van de overige vakanties.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. De moeder verzoekt het hof de zorg- en contactregeling van de minderjarige met de vader vast te stellen als volgt:
- de vader haalt de minderjarige op woensdagmiddag uit school en brengt haar op donderdag naar school;
- de vader haalt de minderjarige eenmaal in de veertien dagen een weekend van zaterdagmorgen 9.00 uur tot zondagmiddag tussen 13.00 en 13.30 uur;
- tijdens de zomervakantie verblijft de minderjarige een periode van twee aaneengesloten weken bij de moeder en twee aaneengesloten weken bij de vader, terwijl in de andere vakantieweken de reguliere zorgregeling geldt;
- de overige schoolvakanties worden bij helfte verdeeld,
kosten rechtens.
2. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
3. Volgens de moeder is de bestreden beschikking innerlijk tegenstrijdig nu de rechtbank het verzoek tot co-ouderschap heeft afgewezen, maar wel een regeling heeft vastgesteld die feitelijk op hetzelfde neerkomt. De vastgestelde zorgregeling is niet in het belang van de minderjarige door de vorm/frequentie van de regeling, de afspraken die aanvullend hierop zijn gemaakt en de slechte communicatie tussen partijen. De minderjarige lijdt onder de versnipperde regeling, waarbij zij telkens met een tas met kleren naar school moet.
4. De vader ziet in de stellingen van de moeder geen aanleiding om de zorgregeling aan te passen. Opnieuw een wijziging zou juist onrust bij de minderjarige veroorzaken.
5. Het hof overweegt als volgt.
6. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen nog te veel verwikkeld zijn in ex-partnerproblematiek om hun relatie als ouders van de minderjarige op een constructieve manier vorm te geven. Voor een gezonde ontwikkeling van de minderjarige heeft zij beide ouders nodig en is het van essentieel belang dat ouders elkaar niet afvallen tegenover haar. Het diskwalificeren van de andere ouder berokkent de minderjarige schade. De vader heeft ter zitting verklaard open te staan voor een verbetering van de communicatie met de moeder. Het hof acht het van belang dat partijen zich beiden zullen inspannen om in het belang van de minderjarige te komen tot een verbetering van de verstandhouding.
7. Gelet op het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg door de ouders afgesproken en thans bestreden regeling door de vele wisselingen niet geheel in het belang van de minderjarige kan worden geacht. De verstoorde verhouding van de ouders en de jonge leeftijd van de minderjarige – net zes jaar – en de zorgen die er over haar gezondheid zijn, in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de wisselmomenten beperkt dienen te worden. Het hof zal de contactregeling aanpassen in die zin dat het contact van maandagmiddag tot dinsdagochtend na het weekend waarin de minderjarige bij de vader is, zal komen te vervallen. Het hof acht het van belang dat partijen eventueel met behulp van een derde in onderling overleg zullen komen tot de voor alle betrokkenen beste regeling, waarbij het belang van de minderjarige voorop staat. Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen grond om de contactregeling voor het overige door de moeder verzochte te wijzigen, nu deze verder niet strijdig met het belang van de minderjarige is.
8. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten compenseren.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de contactregeling betreft van maandagmiddag tot dinsdagochtend en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de minderjarige bij de vader zal zijn een maal per twee weken van maandagmiddag na school tot dinsdagochtend naar school, telkens na het weekend waarin de minderjarige niet bij de vader heeft verbleven in het kader van de contactregeling;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Zander en De Haan-Boerdijk, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2012.