ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4787
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- van Dijk
- van Leuven
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verdeling overwaarde en vordering op grond van samenlevingsovereenkomst
Partijen zijn in 2006 een samenlevingsovereenkomst aangegaan waarin is bepaald dat bij gezamenlijke woning de partij die meer heeft betaald dan haar aandeel een vordering kan hebben op de ander. De samenleving eindigde in juni 2009. Na verkoop van de woning ontstond discussie over de verdeling van de overwaarde.
De man vorderde in hoger beroep dat het hof verklaart dat hij een vordering van €20.520,43 heeft op de vrouw op grond van artikel 6 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst, en dat deze vordering verrekend kan worden met haar aandeel in de overwaarde. De vrouw stelde dat de eisvermeerdering in hoger beroep strijdig was met de goede procesorde en dat zij een tegenvordering had van minstens €12.500.
Het hof oordeelde dat de eisvermeerdering niet onrechtmatig was omdat de vorderingen in eerste aanleg en hoger beroep betrekking hadden op de materiële afwikkeling van de samenleving. De brief van de notaris bevestigde dat de man de overbruggingshypotheek had afgelost met eigen middelen. De vrouw had haar tegenvordering onvoldoende onderbouwd.
Het hof verklaarde voor recht dat de man een opeisbare vordering van €20.520,43 heeft op de vrouw en dat deze verrekend kan worden met haar aandeel in de overwaarde van de woning. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd. Het overige werd afgewezen.
Uitkomst: De man heeft een vordering van €20.520,43 op de vrouw die verrekend kan worden met haar aandeel in de overwaarde van de woning.