Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4416

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BK-11/00866
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep parkeerbelasting: boeken ophalen niet gelijk aan laden goederen

Belanghebbende stelde in hoger beroep dat het ophalen van drie boeken, waarvoor acht tot tien minuten nodig was, moest worden aangemerkt als het onmiddellijk laden van goederen, waardoor geen parkeerbelasting verschuldigd zou zijn. Het Gerechtshof 's-Gravenhage oordeelde dat het laden van goederen vereist dat zaken van enige omvang of gewicht worden in- of uitgeladen gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

Het ophalen van drie boeken werd niet als laden van goederen beschouwd vanwege het geringe gewicht en de omvang, en de tijd tussen het stilzetten van het voertuig en terugkeren met de boeken werd niet als noodzakelijke laadtijd gezien. Daarnaast verwierp het hof het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat postbezorgers zonder kaartje niet werden aangeslagen.

Het hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. De uitspraak werd op 27 juni 2012 in het openbaar uitgesproken door mr. J.W. baron van Knobelsdorff.

Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector belasting
Nummer BK-11/00866
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer d.d. 27 juni 2012
in het geding tussen
[X] te [Z], hierna: belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, hierna: de Inspecteur
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 oktober 2011, nummer AWB 11/4589 betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 6 juni 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar is belanghebbende verschenen, alsmede namens de Inspecteur [A]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden
1. Ingevolge artikel 1, onder d, van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen (hierna: de verordening) van de Gemeente ’s-Gravenhage wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
2. Onder het doen of laten staan van een voertuig voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen dient te worden verstaan: het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.
3. Het ophalen van drie boeken - waarmee, naar belanghebbende heeft gesteld, acht tot tien minuten was gemoeid - kan, ook indien dit in het kader van de bedrijfsvoering gebeurt, niet worden aangemerkt als het laden van goederen. Er is immers geen sprake van een zodanige omvang of gewicht dat het in de auto brengen ervan als inladen kan worden gekwalificeerd. Bovendien kan het tijdsverloop tussen het tot stilstand brengen van de auto en de terugkeer met de boeken uit de winkel niet worden gezien als de tijd die voor het veronderstelde laden nodig is.
4. Belanghebbende heeft zijn stelling dat postbezorgers bij het parkeren zonder zich van een parkeerkaartje te voorzien niet in de heffing worden betrokken, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, niet feitelijk onderbouwd. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt derhalve afgewezen.
5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.
6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 27 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog te verstrekken of aan te vullen. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.