ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1495

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.100.021-01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Haan-Boerdijk
  • Van den Wildenberg
  • Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 810 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige wegens spanningen en onrust

De vader is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin hem het recht op omgang met zijn minderjarige kind is ontzegd. De vader verzocht het hof om een omgangsregeling vast te stellen, terwijl de moeder het beroep betwistte en de ontzegging wilde handhaven.

De rechtbank had eerder voorlopige omgangsregelingen vastgesteld, maar vanwege communicatieproblemen en spanningen tussen partijen werd het omgangsrecht ontzegd. De vader ontkende negatieve uitlatingen en stelde dat de spanningen ook door de moeder werden veroorzaakt. De moeder stelde dat de vader regelmatig afspraken niet nakwam en de bemiddeling stopzette, wat de minderjarige teleurstelde.

Het hof constateerde dat de omgangsregeling veel spanningen veroorzaakte en onduidelijkheden voor het kind opleverde, wat leidde tot onrust. De vader was niet verschenen bij de zitting, waardoor onduidelijk bleef of hij omgang wenste. Gezien de weerstand van de moeder en de negatieve effecten op het kind, oordeelde het hof dat het belang van de minderjarige tijdelijk ontzegging van omgang rechtvaardigt.

Daarom werd de bestreden beschikking bekrachtigd en het hoger beroep van de vader afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontzegging van het omgangsrecht van de vader met de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 4 juli 2012
Zaaknummer : 200.100.021/01
Rekestnr. rechtbank : F2 RK 10-1689
[appellant]
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat voorheen mr. A.G.H.M. Ganzeboom te Capelle aan den IJssel, sinds 30 mei 2012 niet meer bijgestaan door een advocaat,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. E.J.M. Habets te Schiedam.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 5 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 oktober 2011 van de rechtbank Rotterdam.
De moeder heeft op 3 april 2012 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 23 februari 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 22 maart 2012 een brief van 21 maart 2012 met bijlagen.
Van de zijde van de raad is bij het hof op 20 maart 2012 een brief van 19 maart 2012 ingekomen, waarbij is medegedeeld dat de raad niet ter terechtzitting zal verschijnen.
De zaak is op 30 mei 2012 mondeling behandeld.
Ter zitting was aanwezig de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikkingen van 8 december 2010 en 23 februari 2011 beide van de rechtbank Rotterdam.
Bij tussenbeschikking van 8 december 2010 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 2007 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige) bepaald.
Bij tussenbeschikking van 23 februari 2011 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling bepaald en is bepaald dat partijen onder begeleiding van Flexus Jeugdplein in onderling overleg tot afspraken dienden te komen hoe de definitieve omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige er uit zou komen te zien.
Bij bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de vader het recht op omgang met de minderjarige ontzegd.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige.
2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de minderjarige omgang zal hebben met de vader eenmaal per veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de vader ervoor zorgt dat de minderjarige op zondagavond gegeten heeft voordat zij bij de moeder wordt teruggebracht, alsmede gedurende de helft van de vakantie- en feestdagen van school en/of vervolgopleidingen, en voorts de verjaardag van de vader, althans - mede voor de duur van het hoger beroep - een zodanige omgangsregeling als het hof vermeent te behoren.
3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof het hoger beroep van de vader af te wijzen, althans diens verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. De vader stelt dat de rechtbank hem ten onrechte het recht op omgang met de minderjarige heeft ontzegd. De vader meent wel degelijk met de moeder een nadere invulling voor de omgangsregeling na 17 april 2011 bewerkstelligd te hebben, doch dat de moeder dit kennelijk om haar moverende redenen ontkent. De vader betwist dat hij zich negatief uitlaat over de moeder in aanwezigheid van de minderjarige en hij betwist dat hij stelselmatig afhaakt bij afspraken. Voorts stelt de vader dat het regressieve gedrag van de minderjarige na omgang met de vader evenzeer veroorzaakt kan zijn door de spanningen die de omgang bij de moeder opriep als door de daadwerkelijke omgang. Weliswaar is de voorlopige omgangsregeling niet altijd goed verlopen, maar dit is te wijten aan communicatieproblemen en het noodlot. De vader stelt te willen komen tot een duurzame omgangsregeling, maar beide partijen dienen zich in te zetten om de bestaande communicatieproblemen op te lossen.
5. De moeder stelt dat de rechtbank de vader op goede gronden de omgang heeft ontzegd. De moeder stelt dat de communicatieproblemen tussen partijen gedeeltelijk te wijten zijn aan de nieuwe partner van de vader, en dat de vader in dezen stelling dient te nemen om tot een oplossing voor de communicatieproblemen te kunnen komen. De moeder stelt dat zij de bemiddeling bij Flexus Jeugdplein wilde voortzetten, maar dat de vader zijn medewerking heeft stopgezet. De moeder vertrouwt er derhalve niet op dat de vader werkelijk bereid is zich thans in te zetten voor een goede onderlinge communicatie. Voorts stelt de moeder dat de houding van de vader indruist tegen het belang van de minderjarige. De minderjarige was aan het wennen aan de contacten met de vader, maar de vader heeft het regelmatig laten afweten en hij heeft de bemiddeling bij het Omgangshuis stopgezet. De minderjarige is hierdoor teleurgesteld en begrijpt de situatie niet goed. De moeder stelt dat, gelet op de onrust die de omgang bij de minderjarige heeft veroorzaakt en het belang verdere teleurstelling te voorkomen, de omgang terecht is ontzegd.
6. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek een kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat recht hebben op omgang met elkaar, tenzij er sprake is van één of meer van de gronden, zoals genoemd in het derde lid van dat artikel, op basis waarvan de rechter het recht op omgang ontzegt.
7. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de omgangsregeling voor veel spanningen zorgt tussen de vader en de moeder en dat er veel onduidelijkheden voor de minderjarige zijn op het moment dat de vader de gemaakte afspraken omtrent de omgang niet nakomt, hetgeen leidt tot onzekerheid voor de moeder en de minderjarige. De vader is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen. Onduidelijk is derhalve of de vader (momenteel) prijs stelt op enige vorm van omgang tussen hem en de minderjarige. Gelet op de inmiddels ontstane weerstand van de moeder tegen de omgang, de onrust en spanningen die dit bij haar met zich brengt en de uitwerking hiervan op de minderjarige, is het hof van oordeel dat het belang van de minderjarige vereist dat de vader de omgang met de minderjarige tijdelijk wordt ontzegd. De door de vader aangevoerde grieven kunnen dan ook niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden.
8. Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen bekrachtigen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan-Boerdijk, Van den Wildenberg en Jansen, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012.