Rolnummer: 22-004752-11
Parketnummer: 10-111805-11
Datum uitspraak: 25 mei 2012
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 23 september 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,
[adres].
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 14 mei 2012.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:
primair:
hij op of omstreeks 24 augustus 2009 te Maassluis met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten een tuin aan de Logger, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (met kracht) duwen/slaan/stompen en/of schoppen/trappen op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2];
subsidiair:
hij op of omstreeks 24 augustus 2009 te Maassluis, tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een perso(o)n(en), te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], meermalen, althans éénmaal (met kracht) heeft geduwd en/of geslagen en/of gestompt en/of heeft geschopt en/of getrapt tegen het hoofd en/of lichaam van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], tengevolge waardoor voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] enig lichamelijk letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof constateert dat vonnis waarvan beroep niet overeenkomstig de eisen van artikel 359, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is opgesteld, aangezien de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg niet in de gelegenheid is gesteld een requisitoir (mede inhoudende een strafeis) te houden en het vonnis derhalve geen vordering van het openbaar ministerie bevat. Reeds om die reden kan het vonnis waarvan beroep niet in stand blijven.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair:
hij op 24 augustus 2009 te Maassluis met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats te weten aan de Logger, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], welk geweld bestond uit het meermalen, (met kracht) slaan en stompen en schoppen tegen het lichaam van die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2];
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte niet als openlijk geweld kunnen worden gekwalificeerd aangezien deze handelingen niet hebben plaatsgevonden op een voor het publiek toegankelijke plaats.
Voor wat betreft het geweld tegen [benadeelde partij 1] overweegt het hof dat dat geweld is gepleegd in de achtertuin van de woning aan de Logger. Dat was een plek die fysiek toegankelijk was voor het publiek ([benadeelde partij 1] zelf is door de tuindeur binnengekomen). Daar komt bij dat er sprake was van geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard en dat voor publiek waarneembaar was en - zo merkt het hof nog op - overigens ook daadwerkelijk door publiek is waargenomen.
Omtrent het geweld aangewend tegen [benadeelde partij 2] overweegt het hof dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat dat geweld heeft plaatsgevonden op de door hem aangemerkte locatie "B" op de door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde luchtfoto. Het hof stelt vast dat dit geweld zich derhalve heeft afgespeeld op de openbare weg. Zowel het geweld tegen [benadeelde partij 1] als het geweld tegen [benadeelde partij 2] is naar het oordeel van het hof te kwalificeren als openlijk in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer wordt mitsdien verworpen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het primair bewezen verklaarde levert op:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De verdachte zat 's avonds laat samen met vrienden in de achtertuin van zijn ouderlijke woning en veroorzaakte geluidsoverlast. Toen twee buren - nadat reeds meerdere malen was verzocht of het geluid zachter kon - verhaal kwamen halen, ontstond er buiten een geweldsincident. Hierbij heeft de verdachte beide buren geslagen en geschopt. Hij heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit. Het hof rekent het de verdachte bovendien aan dat hij blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende het verwerpelijke van zijn handelen inziet.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1550,-, waarvan € 1500,- aan immateriële schade en € 50,- aan materiële schade. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijk gevorderde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in zijn vordering.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich bij wijze van voorschot - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500,-.
Voor het overige (alsmede ten aanzien van de gevorderde materiële schade) levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële en materiële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] terzake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 500,- (vijfhonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,
mr. A.A. Schuering en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 mei 2012.