ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4079
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voortzetting huur na overlijden moeder wegens onvoldoende financiële waarborg en ontbreken duurzame huishouding
De zaak betreft het verzoek van een 21-jarige zoon om de huur van de woning van zijn overleden moeder voort te zetten op grond van artikel 7:268 BW Pro. De moeder was op 4 augustus 2010 overleden, waarna de zoon het verzoek indiende bij de kantonrechter. Deze wees het verzoek af omdat de zoon onvoldoende financiële waarborg bood en geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder had gevoerd.
In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. De stelling van de zoon dat zijn salaris was gestegen tot €1.350 bruto per maand werd door Woonstad gemotiveerd betwist, mede omdat het bewijs bestond uit een onderhandse akte en de werkgever zijn broer was die in de woning verbleef. Het hof achtte de loonstijging niet aannemelijk en vond dat de zoon zelf financieel de huurlasten moest kunnen dragen. Bijdragen van inwonende familieleden en een aanvraag voor huursubsidie konden niet meetellen.
Ook het argument dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding werd verworpen. De zorg die de moeder bood was onvoldoende om te spreken van een duurzame huishouding, zeker omdat de zoon zelfredzaam was en een baan had. Financiële bijdragen aan de huishouding waren niet relevant en bovendien te laat onderbouwd.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de zoon in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof heeft het verzoek tot voortzetting van de huur afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.