ECLI:NL:GHSGR:2012:BW0422

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
22 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.099.700/01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 WgbzArt. 127a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zaak met termijnoverschrijding griffierecht en toepassing hardheidsclausule

Appellant stelde tijdig hoger beroep in tegen een vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage en bracht de zaak op de rol van 3 januari 2012. De griffierechtbetaling diende uiterlijk 31 januari 2012 te zijn voldaan, maar werd pas op 14 februari 2012 bijgeschreven, waardoor sprake was van een termijnoverschrijding van 14 dagen.

Appellant voerde aan dat geen nota was ontvangen en dat onduidelijkheid bestond door tegenstrijdige rolmededelingen: de zaak stond zowel voor afwachten griffierecht als voor memorie van grieven, waarbij de laatste mededeling pas na de uiterste betaaldatum werd geannuleerd. Het hof oordeelde dat de advocaat van appellant op de hoogte had moeten zijn van de termijn en gevolgen van overschrijding.

Desondanks paste het hof de hardheidsclausule toe wegens de onduidelijkheid die het hof zelf had veroorzaakt en het belang van appellant bij toegang tot de rechter. Daarom werd ontslag van instantie niet verleend en werd de zaak verwezen naar de rol van 1 mei 2012 voor memorie van grieven.

Het arrest werd gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2012.

Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven ondanks te late betaling van het griffierecht door toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer: 200.099.700/01
Zaak/rolnummer rechtbank: 1020843/10-36461
Arrest van 20 maart 2012
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. J.L.A. Helmer te 's-Gravenhage,
tegen
Administratiebeheer Associates,
gevestigd te 's-Gravenhage,
geïntimeerde,
in hoger beroep niet verschenen.
Het geding
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage civiel sector kanton van 21 september 2011.
Appellant heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen.
Appellant heeft de zaak aangebracht op de rol van 3 januari 2012. Voor appellant heeft zich een advocaat gesteld.
De zaak is op 3 januari 2012 abusievelijk zowel aangehouden tot de rol van 31 januari 2012 voor afwachten betaling griffierecht appellant als aangehouden tot de rol van 14 februari 2012 voor memorie van grieven.
Appellant heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald. Blijkens het systeem is op 1 februari 2012 de rolstap memorie van grieven 14 februari 2012 geannuleerd.
Op de rol van 7 februari 2012 is de zaak vervolgens twee weken aangehouden voor akte uitlating artikel 127a Rv aan de zijde van appellant en geïntimeerde uitlaten eventueel incidenteel appel. Het hof heeft van appellant een akte ontvangen.
In verband met het achterwege blijven van tijdige betaling van het griffierecht heeft het hof op 21 februari 2012 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier.
De motivering van de beslissing
1. De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 3 januari 2012. Volgens art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moest appellant ervoor zorgen dat binnen vier weken na 3 januari 2012, dus uiterlijk 31 januari 2012, het griffierecht was bijgeschreven op de rekening van dit hof. Het verschuldigde griffierecht is op 14 februari 2012 bijgeschreven op de rekening van het hof. Dit is dus 14 dagen te laat. De zaak is op de rol geplaatst voor akte uitlating partijen op 21 februari 2012.
2. Appellant heeft bij akte onder meer aangevoerd dat er geen nota is ontvangen ter betaling van het griffierecht en dat voorts de zaak op de rol van 14 februari 2012 voor memorie van grieven stond, zodat ook niet duidelijk was dat het griffierecht nog voldaan moest worden. Dit is pas opgemerkt toen de memorie van grieven diende te worden genomen.
3. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.
Partijen worden in hoger beroep in alle gevallen vertegenwoordigd door een advocaat. Deze moet op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in hoger beroep zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. Het enkele feit dat wordt aangevoerd dat er geen nota is ontvangen brengt daarom niet mee dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4. Anders moet echter worden geoordeeld met betrekking tot het feit dat het hof via de rol tegenstrijdige mededelingen heeft gedaan door op de rol te vermelden dat de zaak naar de rol van 31 januari 2012 ging voor Afwachten griffierecht appellant en tegelijkertijd naar de rol van 14 februari 2012 voor Memorie van grieven. Deze laatste mededeling is pas na de uiterste betaaldatum geannuleerd. Dat deze laatste mededeling onjuist was had de raadsman van appellant als advocaat behoren te weten. Nochtans ziet het hof in dit geval aanleiding toepassing te geven aan de hardheidsclausule, omdat het hof door aan te geven dat de zaak eerst voor afwachten griffierecht en vervolgens voor memorie van grieven stond zelf de suggestie heeft gewekt dat het griffierecht al was betaald en deze onjuiste procedurestap vervolgens ook pas na de uiterste betaaldatum heeft teruggedraaid. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat toepassing van de sanctie van artikel 127a Rv, gelet op het belang van appellant bij toegang tot de rechter, een onbillijkheid van overwegende aard oplevert.
5. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor memorie van grieven.
De beslissing
Het hof:
- verwijst de zaak naar de rol van 1 mei 2012 voor memorie van grieven;
Dit arrest is gewezen door mrs. I.M. Davids, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2012.