ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9407
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- Mink
- Mertens-de Jong
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verdeling huwelijksgoederengemeenschap en niet-verknochte schuld
In deze zaak stond de vraag centraal of een schuld van de man aan mevrouw X, ontstaan door een ernstig delict gepleegd door de man, kon worden aangemerkt als een verknochte schuld buiten de huwelijksgoederengemeenschap.
De vrouw was van mening dat de schuld niet tot de gemeenschap behoorde en dat dit expliciet moest worden vastgesteld. De man erkende dat hij de schuld voor zijn rekening moest nemen. Het hof stelde vast dat Nederlands recht van toepassing is en dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, waardoor alle schulden in principe tot de gemeenschap behoren.
De wettelijke regeling in artikel 1:94 lid 3 BW Pro bepaalt dat alleen goederen en schulden die aan een echtgenoot verknocht zijn, buiten de gemeenschap kunnen vallen. In dit geval was de schuld niet verbonden aan een goed, maar een voorhuwelijkse schuld waarvan de vrouw geen weet had. Het hof oordeelde dat het onrechtmatig handelen van de man niet leidt tot uitsluiting van de schuld uit de gemeenschap.
De crediteur heeft een gerechtvaardigd belang bij het behoud van verhaalsmogelijkheden. Het hof benadrukte dat het aangaan van huwelijkse voorwaarden de enige manier is om dit risico te beperken. De bestreden beschikking, waarin de man de schuld moet dragen, werd bekrachtigd en het hoger beroep van de vrouw werd afgewezen.
Uitkomst: De schuld van de man aan mevrouw X wordt niet als verknochte schuld aangemerkt en blijft een gemeenschapsschuld; het hoger beroep van de vrouw wordt afgewezen.