ECLI:NL:GHSGR:2012:BV8369
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- A.E. Mos-Verstraten
- A.L.J. van Strien
- G.J. Fleers
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens verblijf als ongewenst vreemdeling in Nederland
De verdachte verbleef op of omstreeks 23 mei 2011 in Rotterdam als vreemdeling, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Het hof stelde vast dat de beschikking van ongewenstverklaring aan de verdachte persoonlijk was uitgereikt, met begrijpelijke toelichting in zijn taal, en dat hij de Nederlandse taal beheerst.
De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts op bezoek was bij zijn zoon en dat een bezoek niet valt onder het begrip 'verblijven' in artikel 197 Sr Pro. Dit verweer werd verworpen; het hof interpreteerde 'verblijven' als het betreden van Nederlandse bodem. Tevens werd het beroep op noodtoestand afgewezen omdat de verdachte niet aannemelijk had gemaakt dat een actuele en concrete noodsituatie bestond.
De verdediging stelde ook dat artikel 197 Sr Pro onverbindend is vanwege strijd met Europese richtlijn 2008/115/EG, maar het hof oordeelde dat de strafbepaling niet in strijd is met Europese regelgeving en dat de vervolging gerechtvaardigd is ter handhaving van de openbare orde en nationale veiligheid.
Gezien het strafblad van de verdachte en zijn eerdere veroordelingen achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden passend. De verdachte werd veroordeeld tot deze straf met aftrek van voorarrest.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens verblijf als ongewenst vreemdeling in Nederland.