Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Arrest d.d. 30 oktober 2012
de vennootschap opgericht naar het recht van het Verenigd Koninkrijk
de vennootschap opgericht naar het recht van Japan NEO-RIVER INC.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
in conventiegevorderd, na wijziging van eis, enigszins verkort weergegeven:
(…). (…) Osata (werd) bestuurd (…) door de heer [Y]. Eind 2010 is de heer [Y] echter ontslagen als bestuurder door de aandeelhoudersvergadering van Osata, die gedomineerd werd door de wederpartij, Neo-River. Thans is Osata dus feitelijk in de handen van de wederpartij gevallen. Het heeft de wederpartij behaagd de Nederlandse raadsman van Neo-River als bestuurder van Osata aan te stellen.’
In hoger beroep treedt slechts Immun’Âge op als appellant. Osata, de mede eiser in eerste aanleg, niet. Dat is omdat Osata inmiddels in handen van geïntimeerde (= Neo-River, het hof
) is gevallen. Osata is thans in handen van de bestuurder van geïntimeerde (= de heer [X], het hof
), en niemand minder dan de advocaat van geïntimeerde, Mr. Van der Wouw. Onder hun leiding heeft het Osata behaagd om de eerder uitgebrachte appeldagvaarding, niet op te volgen met grieven.‘
Osata (…) heeft aanvankelijk wel hoger beroep ingesteld, maar na de directiewisseling heeft Osata (…) dat hoger beroep niet doorgezet en daarmee dus berust in het Vonnis’.
in fineMvA/MvG-inc – geen wanprestatie (tekortkoming) van Neo-River ten opzichte van Immun’Âge opleveren omdat Neo-River geen contractuele relatie met Immun’Âge had. Onder 3 (in verbinding met de punten 24 en 50) MvG heeft Immun’Âge te kennen gegeven dat zij tegen Neo-River optreedt i) vanwege de rechtstreeks door haar als gevolg van het stopzetten van de distributieovereenkomst geleden schade en ii) als houdster van een pandrecht op de vordering van Osata op Neo-River. Het hof zal deze stellingen van Immun’Âge hierna aanduiden als ‘stelling (i)’ en ‘stelling (ii)’.
jegens Immun’Âgeonrechtmatig heeft gehandeld. In zoverre slaagt het verweer van Neo-River in punt 11
in fineMvA/MvG-inc, dat nu van wanprestatie geen sprake is, er helemaal geen grondslag voor de (rechtstreekse) vordering van Immun’Âge is. Stelling (i) van Immun’Âge – waarmee niet wordt aangegeven op welke grond Neo-River tot vergoeding van de schade van Immun’Âge gehouden zou zijn – kan Immun’Âge’s vorderingen B in conventie dus niet dragen.
Claim’ die Osata op Neo-River heeft wegens de ‘
default’ van Neo-River onder de distributieovereenkomst. De ‘
Claim’ heeft blijkens artikel 1.3 van de pandakte betrekking op ‘
damages (schadevergoeding) to the tune of the Pledgor (= Osata, het hof
) incurred ad EUR 4.809.012 excluding interests, which claim may subsequently be amended’. In de pandakte is verder een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht.
Regiopolitie/Hovax’, HR 14-03-2008, LJN: BC1231 ‘
X/Mr. Aerts q.q.’, HR 23-09-2011, LJN: BQ7064 en HR 09-12-2011, LJN: BR2045) stond het het hof vrij om de vraag of afstand van het vorderingsrecht was gedaan aan de orde te stellen en verzet bovendien de ‘in beginsel strakke twee-conclusieregel’ zich niet tegen het in aanmerking nemen van het door Neo-River gevoerde verweer van die strekking. Hierbij is verder van belang dat Immun’Âge, naar uit het navolgende blijkt, bij pleidooi alle gelegenheid gehad om te reageren op het ‘afstand van vorderingsrecht’-verweer van Neo-River – waarvan zij overigens redelijkerwijs kon verwachten dat het bij pleidooi ter sprake zou komen – , dat zij dat ook gedaan heeft en dat door Immun’Âge niet is verzocht om alsnog een akte te mogen nemen om nader op dat verweer te kunnen responderen.
decision to terminate the procedure’ (waarmee is bedoeld: de hoger beroep-procedure van Osata tegen Neo-River);
rechtsvordering– de materieelrechtelijke consequentie moet worden verbonden dat Osata afstand heeft gedaan van haar
vorderingsrechtop Neo-River. Dit hangt af van de concrete omstandigheden (zie o.m. de punten 15-17 en 23-25 van de conclusie AG bij HR 18-02-1994, NJ 1994, 604, en de NJ-noot daarbij), die er in dit geval in bestaan, dat de door Osata prijsgegeven rechtsvordering er een was tegen een partij (Neo-River) die inmiddels de macht binnen haar, Osata, had verworven en die in wezen de beslissing heeft genomen ‘
to terminate the procedure’. Bij deze – door Immun’Âge niet betwiste, zie ook punt 19 MvG – stand van zaken moet worden aangenomen dat Osata niet voor ogen heeft gehad om de mogelijkheid open te laten dat die vordering later nog op de een of andere wijze tegen Neo-River in stelling zou kunnen worden gebracht, maar dat zij heeft gewild om het vorderingsrecht zelf definitief prijs te geven. Nu het voor de hand ligt dat Neo-River dit prijsgeven om niet heeft aanvaard en zij dit in ieder geval op de voet van artikel 6:160 lid 2 BW Pro geacht wordt te hebben aanvaard – Neo-River heeft in de persoon van haar bij de vergadering van 9 december 2010 aanwezige bestuurder [X] kennis gekregen van het tot prijsgave strekkend aanbod van Osata – moet worden geconcludeerd dat Osata jegens Neo-River afstand heeft gedaan van haar vorderingsrechten uit de distributieovereenkomst. Hierbij zij nog aangetekend dat Immun’Âge ter onderbouwing van haar betwisting dat zo een afstand is gedaan, geen andere feiten heeft aangevoerd dan de hiervoor vermelde en als vaststaand aangenomen feiten, zodat die betwisting een voldoende feitelijke onderbouwing mist. Voor het door Immun’Âge aan het slot van het pleidooi in hoger beroep terzake aangeboden (tegen-)bewijs is daarom geen plaats.
Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.’
Voormelde uitbreiding van het eerste lid tot de bevoegdheid betalingen op de verpande vordering in ontvangst te nemen ligt ook in de lijn van de vraag van de Commissie, of er geen aanleiding is aan het lid toe te voegen dat de pandgever niet bevoegd is tot het verlenen van kwijtschelding, het treffen van een afbetalingsregeling en dergelijke handelingen. Bij dit laatste zal dan onder meer moeten worden gedacht aan rechtshandelingen als de ontbinding van de overeenkomst waaruit de verpande vordering voortspruit (…), aan omzetting van de primaire verbintenis tot nakoming in een verplichting tot schadevergoeding (…) of ook aan beëindiging van een lopende rechtsbetrekking (b.v. huur-, verhuur; arbeidsovereenkomst) waaruit de opeisbare en toekomstige vorderingen zijn verpand. De ondergetekende meent dat een bepaling als gesuggereerd in het kader van het pandrecht niet past. In het algemeen behoort de bevoegdheid tot het verrichten van deze rechtshandelingen die de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen, bij de pandgever te blijven. Anders dan b.v. bij het vruchtgebruik het geval is, is de – immers niet tot genot gerechtigde en in beginsel evenmin beheer voerende – pandhouder alleen in het aan hem verpande geïnteresseerd, voor zover dit hem zijn vordering waarborgt. Slechts bevoegdheden die dit belang dienen – men zie b.v. het vierde (thans tweede) lid -, behoren hem mitsdien te worden toegekend.
Voorts verdient hij (de pandhouder, het hof
) bescherming tegen rechtshandelingen van de pandgever die hem in dit belang benadelen. Deze bescherming wordt hem echter reeds geboden door artikel 3.2.11 van het gewijzigd ontwerp (= artikel 3:45 BW Pro, het hof
). De pauliana kan immers in het ontwerp ook worden ingesteld, indien door de gewraakte rechtshandeling slechts één crediteur wordt benadeeld, waarbij met name o.a. aan de pandhouder is gedacht.’,
bescherming hem echter reeds (wordt) geboden door’artikel 3:45 BW Pro, waarmee de wetgever tot uitdrukking heeft gebracht andere vormen van bescherming (dan de pauliana) niet nodig te achten.
Claim’ waarop het pandrecht van Immun’Âge is gevestigd, betrekking heeft op schadevergoeding en dat verbeurde dwangsommen niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. Anders dan Immun’Âge stelt in punt 57 PA kan uit de zinsnede ‘
may subsequently be amended’ in artikel 1.3 van de pandakte (zie rov. 8 bij (a)) niet worden afgeleid dat dwangsommen wel onder het bereik van die akte vallen. Nu in dat artikel wordt vooropgesteld dat de ‘
Claim’ betrekking heeft op ‘
damages (schadevergoeding)’ziet de daarbij opgenomen amenderingsclausule klaarblijkelijk alleen op de hoogte van het schadebedrag. Derhalve is – zoals Neo-River heeft aangevoerd onder 85 MvA/MvG-inc – ook hierom vordering B (ii) in conventie niet op basis van het pandrecht van Immun’Âge toewijsbaar. Door Immun’Âge is niet toegelicht op welke andere grond zij aanspraak zou kunnen maken op dwangsommen die Neo-River beweerdelijk aan Osata heeft verbeurd. Grief III van Immun’Âge, die zich richt tegen de afwijzing van vordering B (ii) in conventie, gaat derhalve niet op, ook niet wanneer Immun’Âge op grond van haar pandrecht nog inningsbevoegd zou zijn.