ECLI:NL:GHSGR:2011:BY3106
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.H.W. de Planque
- J.A. van Kempen
- R. van der Vlist
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bankrelatie en aansprakelijkheid voor beëindigingsschade en reputatieschade
In deze civiele zaak stond de beëindiging van de bankrelatie tussen Staalbankiers en een groep cliënten, actief in onroerend goed, centraal. Staalbankiers had de relatie per 1 november 2004 beëindigd na een strategische heroriëntatie en vermoedens van koersmanipulatie door de cliënten. De cliënten vorderden vergoeding van kosten die zij maakten door de beëindiging, waaronder oversluitkosten van leningen, juridische bijstand en communicatiekosten, alsmede een schadevergoeding voor reputatieschade.
De rechtbank had geoordeeld dat alleen de oversluitkosten en kosten van nieuw briefpapier causaal verband hielden met de beëindiging en dat deze voor 75% ten laste van Staalbankiers moesten komen. De vordering tot reputatieschade werd afgewezen omdat onvoldoende was aangetoond dat de publicaties in de media door Staalbankiers waren veroorzaakt en dat er geen causaal verband bestond.
In hoger beroep bevestigde het hof deze beoordeling. Het hof oordeelde dat de strategische heroriëntatie van Staalbankiers volledig aan haar toe te rekenen was, terwijl de koersmanipulatie deels aan de cliënten kon worden toegerekend. De grieven van de cliënten tegen de afwijzing van reputatieschade faalden wegens gebrek aan concrete onderbouwing en causaal verband. Ook de stellingen over een bijzondere zorgplicht van Staalbankiers werden verworpen. Het hof verklaarde Schellingstaete niet-ontvankelijk in hoger beroep en veroordeelde partijen in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Staalbankiers aansprakelijk is voor 75% van de beëindigingsschade en wijst de vordering tot reputatieschade af.