ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2160
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- L.F. Gerretsen-Visser
- J.W. Wabeke
- P.J. Wurzer
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens verblijf in Nederland ondanks ongewenstverklaring
De verdachte was op 6 mei 2010 ongewenst vreemdeling verklaard door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op grond van herhaalde strafbare feiten en het ontbreken van rechtmatig verblijf. Ondanks deze status verbleef hij op die datum in Nederland. De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de ongewenstverklaring in strijd zou zijn met de EU-Richtlijn 2004/38/EG en dat de verdachte recht had op verblijf als partner van een EU-burger.
Het hof oordeelde dat de ongewenstverklaring rechtsgeldig was en dat de verdachte niet had aangetoond dat hij op het moment van het ten laste gelegde feit rechtmatig in Nederland verbleef. De aangevoerde documenten boden onvoldoende bewijs voor een zelfstandig verblijfsrecht. Het hof verwierp het verweer dat de strafbaarheid van het feit ontbrak en verklaarde de verdachte strafbaar.
De rechtbank Rotterdam had de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 57 dagen, waarbij rekening werd gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn. De straf werd opgelegd met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 57 dagen gevangenisstraf wegens verblijf in Nederland ondanks geldige ongewenstverklaring.