ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0536
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Kamminga
- Van den Wildenberg
- Linsen-Penning de Vries
- Rechtspraak.nl
Benoeming van oom tot tijdelijk voogd vanwege onmogelijkheid moeder ouderlijk gezag uit te oefenen
De raad voor de kinderbescherming is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin het verzoek om de oom te belasten met de tijdelijke voogdij over de minderjarige werd afgewezen.
De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de minderjarige verblijft feitelijk bij de oom in Nederland, terwijl de moeder in het buitenland woont en niet voornemens is te verhuizen. De raad stelt dat de moeder daardoor niet in staat is het gezag adequaat uit te oefenen en dat het in het belang van de minderjarige is dat de oom als tijdelijk voogd wordt benoemd.
Het hof overweegt dat de moeder (al dan niet tijdelijk) in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen, mede door het gebrek aan contact en de afstand. De benoeming van de oom tot tijdelijk voogd wordt daarom toegewezen, zodat het gezag en de feitelijke verblijfplaats van de minderjarige in overeenstemming worden gebracht.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en de oom wordt met ingang van het vonnis benoemd tot tijdelijk voogd. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De oom wordt benoemd tot tijdelijk voogd over de minderjarige omdat de moeder het ouderlijk gezag niet adequaat kan uitoefenen.