ECLI:NL:GHSGR:2011:BU6003

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.088.447/01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Lückers
  • Husson
  • Kamminga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282a RvArt. 362 RvArt. 28 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te laat betaald griffierecht

De vader is op 1 juni 2011 in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Dordrecht waarin alimentatieverplichting was vastgesteld. Het griffierecht had uiterlijk 29 juni 2011 betaald moeten zijn, maar dit is niet gebeurd. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 september 2011 was het griffierecht nog niet ontvangen door het hof.

De vader stelde dat hij wegens familieomstandigheden in Turkije was en zijn familie in Nederland het griffierecht zou betalen, wat niet is gebeurd. Hij verzocht het hof om hem alsnog in de gelegenheid te stellen het griffierecht te voldoen en het beroep ontvankelijk te verklaren op basis van de hardheidsclausule. Het hof oordeelde echter dat de vader dit beroep onvoldoende had onderbouwd en dat de advocaat medeaansprakelijk is voor tijdige betaling.

Het hof concludeerde dat geen onbillijkheid van overwegende aard was aangetoond die toepassing van de hardheidsclausule zou rechtvaardigen. Het belang van de vader werd niet onevenredig geschaad, mede omdat hij na niet-ontvankelijkheid opnieuw een verzoek bij de rechtbank kan indienen. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Uitspraak : 19 oktober 2011
Zaaknummer : 200.088.447/01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 10-8312
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. Y. Özdemir te ‘s-Gravenhage,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. R.A.A.H. van Leur te Dordrecht.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 1 juni 2011 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 maart 2011 van de rechtbank Dordrecht.
Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader met ingang van 9 maart 2011 aan de moeder ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats], een alimentatie zal betalen van € 403,60 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 18 augustus 2011 een brief van diezelfde datum.
Op 22 september 2011 is de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep mondeling behandeld. Ter zitting was aanwezig mr. P.R.L.V.M. Kruik, kantoorgenoot van mr. Y. Özdemir, namens de vader. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. Het hof stelt vast dat de vader het door hem verschuldigde griffierecht niet binnen de betalingstermijn van vier weken na indiening van het beroepschrift heeft betaald. Het beroepschrift is ingediend op 1 juni 2011 en derhalve had op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) het griffierecht uiterlijk 29 juni 2011 op de bankrekening van het hof dienen te zijn bijgeschreven. Ten tijde van de mondelinge behandeling op 22 september 2011 was het griffierecht nog immer niet door het hof ontvangen.
2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 282a, tweede lid, jo artikel 362 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verklaart de rechter de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan. De rechter kan deze bepaling op basis van artikel 282a, vierde lid Rv buiten toepassing laten, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepalingen gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3. De (advocaat van de) vader stelt dat de vader enige tijd in Turkije is geweest om zijn moeder te verzorgen en dat hij zijn familie in Nederland heeft gevraagd het griffierecht te voldoen. Dit is niet gebeurd. De vader verzoekt het hof hem in de gelegenheid te stellen het griffierecht alsnog te voldoen en hem primair in zijn hoger beroep, dan wel subsidiair in een ontvankelijkheidsprocedure te horen. Het gevolg van een eventuele niet-ontvankelijkheidverklaring van de vader zal zijn dat hij een nieuw wijzigingsverzoek bij de rechtbank zal moeten indienen. Proceseconomisch is het derhalve gunstiger het beroep bij het hof doorgang te laten vinden. De vader beroept zich op de hardheidsclausule uit artikel 282a, vierde lid Rv, maar het hof constateert dat hij verzuimt dit beroep te onderbouwen.
4. Uitgangspunt is het volgende. Op grond van artikel 28 van Pro de Wgbz is voor de voldoening van het griffierecht medeaansprakelijk de advocaat van desbetreffende partij. Indien de vader door omstandigheden niet in de gelegenheid was om het griffierecht tijdig te voldoen, had het op de weg van de advocaat gelegen voor tijdige betaling zorg te dragen.
5. De raadsvrouwe van de vader heeft ter zitting een beroep gedaan op de hardheidsclausule, maar in dat kader in het geheel geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat de belangen van de vader onevenredig worden geschaad als hem de toegang tot het hof ontzegd wordt. Integendeel, de advocaat van de vader heeft aangegeven na een eventuele niet-ontvankelijkheidverklaring door het hof wederom een wijzigingsverzoek bij de rechtbank in te zullen dienen. Ambtshalve is het hof niet gebleken dat de belangen van verzoeker onevenredig worden geschaad.
6. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Husson en Kamminga, bijgestaan door Hogendoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2011.