ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5812
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van den Wildenberg
- Van Leuven
- Burgers-Thomassen
- Rechtspraak.nl
Ontheffing van het ouderlijk gezag over minderjarige en benoeming voogd
De raad voor de kinderbescherming verzocht het hof om de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over haar minderjarige zoon, geboren in 2002, en Jeugdzorg te benoemen tot voogd. De rechtbank Rotterdam wees dit verzoek in eerste aanleg af. De raad ging in hoger beroep en stelde dat de moeder ongeschikt en onmachtig is haar opvoedingsplicht te vervullen, mede door het niet naleven van afspraken en slechte bereikbaarheid, waardoor de continuïteit van de plaatsing bij de pleegouders niet gewaarborgd is.
De moeder betwistte het beroep en stelde dat de ontheffing niet in het belang van het kind is, dat zij niet de dagelijks te nemen beslissingen belemmert en dat het verzoek disproportioneel is en in strijd met haar rechten onder artikel 8 EVRM Pro. Tijdens de zitting verklaarden ook Jeugdzorg, de pleegouders en de vader van de minderjarige dat de moeder ongeschikt is, maar dat het contact tussen moeder en kind behouden moet blijven.
Het hof oordeelde dat de moeder ongeschikt en onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding zelfstandig te vervullen, dat de stabiliteit en continuïteit van de opvoeding in het belang van het kind zwaarwegend zijn en dat de moeder zich onvoldoende aan afspraken houdt, waardoor het gezag ernstig wordt belemmerd. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en ontheft de moeder van het gezag, benoemde Jeugdzorg tot voogd en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De moeder wordt ontheven van het gezag over de minderjarige en Jeugdzorg wordt benoemd tot voogd.