ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5008
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- U.E. Tromp
- J.T. Sanders
- W.M.G. Visser
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over opzet bij boetebeschikkingen inkomstenbelasting 1999-2000
Belanghebbende was door de Inspecteur beboet wegens het te laag aangeven van inkomstenbelasting over de jaren 1999 en 2000. De rechtbank had de boetes verminderd, maar het Gerechtshof te Amsterdam had deze boetes weer verhoogd tot 25% van de nagevorderde belasting. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor hernieuwde beoordeling.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of het te weinig betalen van belasting aan opzet van belanghebbende te wijten is. Het Gerechtshof oordeelt dat de Inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om opzet of voorwaardelijk opzet aan te tonen. De enkele constatering dat een aanzienlijk deel van de omzet en winst niet in de administratie is verantwoord, is onvoldoende om bewustheid aan te nemen.
Verder is vastgesteld dat belanghebbende essentiële primaire bescheiden zoals dagstaten en kassarollen niet heeft bewaard, wat een risico op onjuiste aangiften inhoudt. Desondanks acht het hof dit niet voldoende om opzet te bewijzen.
Het Gerechtshof vernietigt daarom de boetebeschikkingen over 1999 en 2000 en de daaraan ten grondslag liggende uitspraken van de Inspecteur. De overige uitspraken blijven gehandhaafd. Tevens veroordeelt het hof de Staat in de proceskosten van belanghebbende.
De uitspraak is gedaan zonder mondelinge behandeling en partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Boetebeschikkingen over 1999 en 2000 worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van opzet.