ECLI:NL:GHSGR:2011:BU1302
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- W.P.C.M. Bruinsma
- S.A.J. van 't Hul
- I.P.A. van Engelen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak levensdelict en veroordeling mishandeling en drugshandel in hoger beroep
In hoger beroep is de verdachte geconfronteerd met de tenlasteleggingen van mishandeling, het verstrekken van cocaïne en het om het leven brengen van het slachtoffer. Het hof heeft de zaken gevoegd behandeld en het verzoek tot splitsing afgewezen omdat er verband bestaat tussen de feiten.
Het hof heeft uitgebreid bewijs onderzocht, waaronder getuigenverklaringen, forensisch en DNA-onderzoek aan diverse voorwerpen op de plaats delict. De DNA-onderzoeken leverden tegenstrijdige conclusies op, waarbij het NFI en FLDO de verdachte uitsluiten als donor van celmateriaal op het marmer waarmee het slachtoffer werd geslagen, terwijl IFS dit betwist. De getuigenherkenningen van de verdachte op de plaats delict werden door een rechtspsycholoog als van geringe waarde beoordeeld.
Hoewel er belastende aanwijzingen zijn, zoals het contact tussen verdachte en slachtoffer op de dag van het overlijden, wisselende verklaringen van de verdachte en het afscheren van zijn snor vlak na het delict, is het hof van oordeel dat het bewijs onvoldoende is om de verdachte wettig en overtuigend te veroordelen voor het levensdelict. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van deze tenlastelegging.
Voor mishandeling en het verstrekken van cocaïne aan vrouwen in ruil voor seks acht het hof de verdachte wel wettig en overtuigend schuldig. Gezien de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen van de verdachte en het belang van een strenge aanpak van drugshandel, legt het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden op. De verdachte krijgt aftrek van voorarrest en het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van het levensdelict en veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf voor mishandeling en drugshandel.