ECLI:NL:GHSGR:2011:BT8839
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken betaalde vergunning
Belanghebbende parkeerde op 2 augustus 2008 een voertuig op een locatie waar parkeerbelasting verschuldigd is. Hoewel hij een parkeervergunning had aangevraagd en het besluit tot toekenning daarvan op 16 juli 2008 ontving, had hij op het moment van parkeren nog niet de verschuldigde parkeerbelasting betaald en beschikte hij niet over het vergunningsbewijs.
De Inspecteur legde daarom een naheffingsaanslag op, die belanghebbende betwistte. Zowel de rechtbank Dordrecht als het hof oordeelden dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, omdat de vergunning pas geldig wordt na betaling van de parkeerbelasting en het verstrekken van het vergunningsbewijs.
Belanghebbende voerde aan dat de vergunning met terugwerkende kracht geldig zou zijn vanaf de datum van het besluit, maar dit werd door het hof verworpen. Het hof wees erop dat de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen duidelijk stelt dat de belasting uiterlijk bij aanvang van het tijdvak waarvoor het vergunningsbewijs geldt, betaald moet zijn.
De mondelinge behandeling vond plaats op 10 augustus 2011, waarbij belanghebbende niet aanwezig was. Het hof bevestigde de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 21 september 2011 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt bevestigd omdat belanghebbende op het moment van parkeren geen betaalde vergunning had.