ECLI:NL:GHSGR:2011:BT7130
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens ontbreken dubbele strafbaarheid bij voordeel trekken uit misdrijf in Turkije
De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk en culpoos voordeel trekken uit de opbrengst van door misdrijf verkregen geld in Turkije. Het hof oordeelde dat het subsidiair tenlastegelegde feit niet strafbaar is gesteld in het Turkse recht, waardoor niet is voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht.
In eerste aanleg werd de verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde tot twaalf maanden gevangenisstraf. In hoger beroep vorderde de advocaat-generaal vernietiging van het vonnis en veroordeelde de verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf voor het subsidiair ten laste gelegde.
Het hof stelde vast dat de Turkse strafbepaling betreffende heling (artikel 165) niet hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbepaling voor voordeel trekken uit de opbrengst van door misdrijf verkregen goed. Hierdoor ontbrak de vereiste dubbele strafbaarheid en verklaarde het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor het subsidiair ten laste gelegde. Tevens sprak het hof de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde en gelastte de teruggave van het in beslag genomen bedrag van EUR 500,-.
Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens ontbreken van dubbele strafbaarheid en spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde.