ECLI:NL:GHSGR:2011:BR4490
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- Kleykamp-van der Ben
- Van der Burght
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgemeenschap en draagplicht schulden bij echtscheiding onder opschortende voorwaarde
In deze zaak staat de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen partijen centraal, met name de toedeling van schulden. De rechtbank had eerder de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de gemeenschap vastgesteld, inclusief een verdeling van schulden. De man kwam in hoger beroep tegen de toedeling van een schuld aan de IBG aan de vrouw en de classificatie van zijn schuld aan zijn broer als niet-verteerbaar in de gemeenschap.
Het hof oordeelt dat de huwelijksgemeenschap nog niet is ontbonden omdat de echtscheidingsbeschikking nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De verdeling van de gemeenschap wordt daarom vastgesteld onder de opschortende voorwaarde dat de ontbinding zal plaatsvinden. De rechtbank heeft ten onrechte schulden toegedeeld, aangezien schulden geen goederen zijn en niet kunnen worden toegedeeld; partijen dragen ieder de helft van de gemeenschapsschulden.
De man stelde dat de schuld aan de IBG niet tot de gemeenschap behoorde omdat deze schuld aan de vrouw verknocht was en zij deze had verzwegen. Het hof oordeelt dat de schuld niet als verknocht kan worden aangemerkt omdat deze niet betrekking heeft op privégoederen van de vrouw. Ook zijn de door de man aangevoerde omstandigheden onvoldoende om af te wijken van de hoofdregel dat schulden gelijkelijk worden gedragen.
Het hoger beroep wordt daarom deels toegewezen door vernietiging van het deel van de beschikking dat schulden toedeelde en hernieuwde beschikking dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden. Het verzoek van de man omtrent de schuld aan zijn broer is ingetrokken en afgewezen.
Uitkomst: De verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt vastgesteld onder opschortende voorwaarde en schulden worden gelijkelijk gedragen door partijen.