ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2923

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
25 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.052.249
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Labohm
  • van Dijk
  • Stollenwerck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verdeling huwelijksgoederengemeenschap en draagplicht schulden na echtscheiding

De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam inzake de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en de draagplicht van schulden. Zij betwist dat bepaalde schulden, waaronder een buitenlandse schuld en een Visa Card schuld, tot de gemeenschap behoren en vordert dat de man deze schulden volledig draagt.

De man stelt dat de schulden tijdens het huwelijk zijn aangegaan en dat de hoofdregel geldt dat beide partijen ieder voor de helft aansprakelijk zijn. Hij voert aan dat de schulden niet met het oogmerk zijn gemaakt om de vrouw te benadelen en dat de vrouw geen bijdrage leverde aan het huishouden.

Het hof overweegt dat de peildatum voor de omvang van de gemeenschap 7 januari 2002 is en dat de ontslagvergoeding van de man uit 1999 naar het oordeel van het hof op die datum al was geconsumeerd. De vrouw heeft onvoldoende feiten gesteld om van de hoofdregel af te wijken. Ook de omstandigheden rond de relatie van de man na het huwelijk en het gebruik van de gelden zijn onvoldoende om de draagplicht van schulden anders te verdelen.

De vordering van de vrouw tot inzage in bankafschriften wordt afgewezen wegens gebrek aan rechtmatig belang. De proceskosten worden gecompenseerd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2009 en wijst de overige vorderingen af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van de vrouw af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector familie
Zaaknummer : 200.052.249/01
Rolnummer rechtbank : 259796/ HA ZA 06-1157
arrest van de familiekamer d.d. 25 januari 2011
inzake
[de vrouw] te ´[gemeente],
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat : mr. P.H.J. Körver te Wassenaar,
tegen
[de man],
wonende te [gemeente],
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.H. Beek te Capelle aan den IJssel.
Het geding
Bij exploot van 30 november 2009 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 september 2009 van de recht¬bank te Rotterdam tussen de partijen gewezen.
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank heeft ver¬meld.
Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis (met producties) heeft de vrouw 3 grie¬ven aangevoerd.
Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de man de grie¬ven bestreden.
De vrouw heeft arrest gevraagd en de man heeft zijn procesdossier overgelegd.
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
1. De vrouw vordert dat het dit hof behage, te vernietigen het vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 2 september 2009 met zaaknummer/rolnummer 259796/HA ZA 06-1157 tussen [de vrouw] als eiseres en geïntimeerde als gedaagde en, opnieuw rechtdoende bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verklaren voor recht dat de navolgende schulden door geïntimeerde dienen te worden gedragen en dat [de vrouw] derhalve intern niet voor deze schulden aansprakelijk is:
[[buitenland] € 16.163,84
Visa Card (man) € 12.813,08
2. te verklaren voor recht dat geïntimeerde [de vrouw] dient te vrijwaren voor het geval een van de onder 1 genoemde schuldeisers zich verhaalt op de gemeenschap of op het privé vermogen van [de vrouw], ter voldoening van een of meerdere van de onder 1 genoemde schulden, en geïntimeerde mitsdien te veroordelen aan [de vrouw] terug te betalen dat bedrag aan hoofdsom rente en kosten dat deze schuldeisers of één van hen op de gemeenschap of op privé goederen van [de vrouw] zullen hebben verhaald, zulks tegen overlegging van bescheiden waaruit dit verhaal blijkt;
3. de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast te stellen:
Aan [de vrouw] toe te delen:
Lening ouders [de vrouw] € 15.904,99
Nota notaris € 624,75
alsmede de helft saldo verkoop woning € 25.302,37
helft ontslagvergoeding geïntimeerde € 11.919,73
de helft Spaarbeleg 1990093744 € 154,61
Helft Spaarbeleg 1990110175 € 153,30
Aan geïntimeerde toe te delen de schulden aan:
IDM € 26.028,30
BKK Bauknecht € 6.318,80
Nota Nuon € 882,47
Nota notaris € 624,75
alsmede de helft saldo verkoop woning € 25.302,37
helft ontslagvergoeding geïntimeerde € 11.919,73
de helft Spaarbeleg 1990093744 € 154,61
Helft Spaarbeleg 1990110175 € 153,30
4. dat indien en voor zover het depot is of wordt uitgewonnen door derden, het bedrag van € 25.302,37 door geïntimeerde aan [de vrouw] zal worden vergoed;
met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten van beide instanties, zulks met bepaling dat over de proceskostenveroordeling wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen arrest, en met verklaring dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.
2. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals deze zijn vastgesteld door de rechtbank in het bestreden vonnis.
Ontvankelijkheid
3. De man stelt dat de vrouw in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien de vrouw niet op de aangewezen roldatum voor memorie van grieven heeft gediend. Voorts heeft de man gesteld dat het hof op verzoek van de vrouw alsnog aan haar toestemming heeft gegeven om te dienen voor memorie van grieven.
4. Het hof overweegt als volgt. Een rolbeschikking is geen arrest en behoeft derhalve ook niet te voldoen aan de voorwaarden die aan arresten worden gesteld. Tegen rolbeschikkingen staat geen hogere voorziening open. In het onderhavige geval heeft het hof enkel een instructie gegeven voor het alsnog nemen van een memorie van grieven. Naar het oordeel van het hof is de man op geen enkele wijze in zijn belang geschaad nu de vrouw alsnog haar memorie van grieven heeft genomen.
5. Voorts stelt de man dat de vrouw niet-ontvankelijk is ter zake de door de rechtbank in deze gewezen tussenvonnissen. De man is van mening dat de vrouw geen grieven heeft gericht tegen de tussenvonnissen.
6. Het hof overweegt als volgt. De omvang van de rechtsstrijd in appel wordt in beginsel bepaald door de grieven die de vrouw in haar memorie van grieven heeft geformuleerd. Op basis daarvan zal het hof zijn beslissing nemen.
Omvang van de gemeenschap
7. In de eerste grief leest het hof dat de rechtbank de omvang van de gemeenschap onjuist heeft vastgesteld. In de visie van de vrouw behoort tot de gemeenschap de ontslagvergoeding die de man in 1999 van zijn werkgever heeft verkregen.
8. Door de man is gesteld dat de ontslagvergoeding tijdens het huwelijk van partijen is geconsumeerd. De man stelt voorts dat partijen op de peildatum over geen andere activa beschikten dan de inboedel en de echtelijke woning.
9. Het hof overweegt als volgt. Voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap is van belang welke goederen aanwezig waren op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register van de burgerlijke stand. In het onderhavige geval is de peildatum voor de omvang van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap 7 januari 2002. Uit de door de vrouw gestelde gegevens volgt dat de ontslagvergoeding is verkregen in 1999. Door de vrouw zijn geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld waaruit het hof kan afleiden dat de ontslagvergoeding op de peildatum niet reeds verteerd was.
10. De grief treft derhalve geen doel.
Schulden
11. De vrouw is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat de navolgende schulden tot de voormalige huwelijksgoederen gemeenschap van partijen behoren:
• [[buitenland] € 16.163,84
• Visa Card man € 12.813,08
12. Door de vrouw wordt onder meer het navolgende naar voren gebracht:
• partijen woonden vanaf begin 1999 gescheiden;
• de man is een homoseksuele relatie aangegaan en is ter bestendiging van deze relatie de hiervoor vermelde schulden aangegaan;
• de vrouw heeft geen enkele baat gehad van die gelden;
• de redelijkheid en billijkheid brengen met zich mede dat de man de hiervoor vermelde schulden als eigen schulden zal voldoen.
13. Door de man wordt onder meer gesteld:
• de man heeft niet de schulden gemaakt met het oogmerk om de vrouw te benadelen;
• de persoon met wie de man een relatie is aangegaan genoot eigen inkomsten;
• de man woonde doordeweeks in [buitenland] en in het weekeinde in Wassenaar;
• omdat zijn inkomen het voeren van twee huishoudens niet toeliet en de vrouw het ten enen male vertikte om aan het werk te gaan is de schuldenlast ontstaan;
• de bank - en giro afschriften werden gestuurd naar het adres van de vrouw;
• er is dus geen enkele reden om op grond van de redelijkheid en billijkheid een deel van de schuldenlast af te schuiven op de man.
14. Het hof overweegt als volgt. Onbestreden is dat de ontbonden huwelijksgemeenschap op de peildatum de hiervoor vermelde schulden omvat. De hoofdregel is dat beide partijen in hun onderlinge verhouding in beginsel ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de tijdens het huwelijk aangegane gemeenschapsschulden. Naar het oordeel van het hof zijn er door de vrouw geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld om in het kader van de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap van deze hoofdregel af te wijken. Het feit dat de man een homosexuele relatie is aangegaan, mogelijk gelden voor het onderhouden van deze relatie heeft uitgegeven – hetgeen de man gemotiveerd betwist - en dat de vrouw niet is gebaat door de gelden die uit het aangaan van de schulden zijn verkregen, zijn op zichzelf niet zodanige feiten en/of omstandigheden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van het wettelijk stelsel dient te worden afgeweken met betrekking tot de draagplicht van schulden.
15. Voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap is relevant welke schulden op de peildatum aanwezig waren. In grief 2 stelt de vrouw dat zij de schuld aan Visa Card van ad € 1.702,96 in april 2005 heeft afgelost. Niet bestreden is dat de schuld op de peildatum aanwezig was. Hetgeen de vrouw in haar toelichting op de grief stelt is derhalve voor het oordeel van het hof niet relevant.
Verzoek 843 a RV
16. De vrouw wenst afschriften te krijgen van de bankafschriften van de [[buitenland] en Visa Card.
17. De man stelt dat hij de afschriften niet meer heeft.
18. Nu onbestreden is dat de schuld aan de [[buitenland] en Visa Card op de peildatum bestond en het hof heeft geoordeeld dat dit een gemeenschapsschuld is, heeft de vrouw geen rechtmatig belang bij haar vordering conform art 843a RV.
Proceskosten
19. Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren.
20. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis van 2 september 2009 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen moet worden be¬krach¬tigd.
Beslissing
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Rotterdam tussen de partijen op 2 september 2009 gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, van Dijk en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2011 in aanwezigheid van de griffier.