ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2600
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake ongebruikelijke borgstelling in familieverband bij inkomstenbelasting
Belanghebbende, weduwe van erflater, ging in hoger beroep tegen een aanslag inkomstenbelasting over 2001 waarbij een verlies uit werk en woning niet werd geaccepteerd door de Inspecteur. De kern van het geschil betrof de vraag of een borgstelling van erflater voor leningen van de schoonzoon ongebruikelijk was in de zin van art. 3.92 lid 3 Wet IB 2001.
De borgstelling bedroeg fl 1.350.000 (€ 612.603) en was verstrekt aan de bank als zekerheid voor de bedrijven van de schoonzoon. Na faillissement van deze bedrijven werd de borgstelling aangesproken. De Inspecteur accepteerde slechts een deel van het verlies, terwijl belanghebbende stelde dat het meerdere ongebruikelijk was en dus als verlies mocht worden verwerkt.
Het hof heeft op basis van deskundigenverklaringen geoordeeld dat een borgstelling boven € 250.000 in deze situatie ongebruikelijk is, mede vanwege de slechte financiële positie van de onderneming en de familieverhoudingen. Dit leidde tot een vermindering van het belastbaar inkomen met € 181.302. Daarnaast werden proceskosten en griffierechten aan belanghebbende toegewezen.
De uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar werden vernietigd, en de aanslag werd verminderd tot nihil belastbaar inkomen uit werk en woning met een vastgesteld verlies van € 172.045.
Uitkomst: Het hof vermindert de aanslag inkomstenbelasting en erkent een deel van de borgstelling als ongebruikelijk, waardoor het belastbaar inkomen wordt verlaagd en proceskosten worden toegewezen.