ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0214
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- A.V. van den Berg
- R.C. Schlingemann
- J.C.N.B. Kaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vonnis over kostenverhaal en nakoming verkoop onderzeeboten tussen Staat en RDM
In deze zaak gaat het om een geschil tussen RDM Technology Holding B.V. en de Staat der Nederlanden over de verkoop en sloop van twee onderzeeboten. In 1995 sloot de Staat een overeenkomst met RDM waarbij RDM de onderzeeboten mocht doorverkopen aan een andere regering, en bij gebrek aan koper de boten moest ontmantelen en slopen volgens voorwaarden van de marine. RDM slaagde er niet in een koper te vinden en gaf geen uitvoering aan de sloopverplichting, waarna de Staat zelf de sloop liet uitvoeren en de kosten daarvan op RDM verhaalde.
RDM stelde in reconventie dat zij in 2005 een koopovereenkomst met Indonesië had gesloten, maar dat de Staat deze verkoop had gefrustreerd door negatieve informatie te verstrekken aan Indonesische autoriteiten. Het hof oordeelde dat RDM onvoldoende bewijs had geleverd voor het bestaan van een bindende koopovereenkomst met Indonesië. Ook het betoog dat de Staat tekortgeschoten zou zijn in de nakoming van de overeenkomst en dat het hanteren van nieuwe lijsten van militair-strategische onderdelen onredelijk was, werd verworpen.
Het hof bevestigde dat RDM haar verplichting tot ontmanteling en sloop niet was nagekomen en dat de Staat gerechtigd was zelf tot sloop over te gaan en de kosten op RDM te verhalen. De zogenaamde maart-afspraken waren slechts een praktische regeling en niet noodzakelijk voor het verhaal van de kosten. RDM werd veroordeeld in de proceskosten van hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat RDM aansprakelijk is voor de kosten van ontmanteling en sloop van de onderzeeboten en wijst de vordering van RDM af.