ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9845
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- B. van Walderveen
- Th. Groeneveld
- W.M.G. Visser
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake onzakelijke lening en afwaardering in inkomstenbelasting
Belanghebbende verstrekte in 2002 en 2003 een lening aan zijn BV, [B] bv, die onderdeel was van een commanditaire vennootschap met activiteiten in de import en export van groenten en fruit. De BV en aanverwante vennootschappen gingen in 2003 failliet, waardoor de lening waardeloos werd. De rechtbank stelde vast dat de lening in haar geheel als lening moest worden aangemerkt, maar oordeelde dat afwaardering in 2002 niet mogelijk was en in 2003 wel.
De Inspecteur betwistte het zakelijke karakter van de lening en stelde dat het debiteurenrisico onzakelijk was, ingegeven door de aandeelhoudersrelatie. Het hof bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de lening onder omstandigheden was verstrekt waarbij een onafhankelijke derde het risico niet zou hebben genomen. Hierdoor werd de lening als onzakelijk aangemerkt.
Het hof verwierp het verzoek van belanghebbende om de lening te splitsen in een zakelijk en onzakelijk deel, omdat de omstandigheden die de onzakelijkheid bepaalden betrekking hadden op de gehele lening. De afwaardering van de lening mocht daarom niet in mindering worden gebracht op het belastbare inkomen uit werk en woning. Het hof verklaarde het hoger beroep van de Inspecteur gegrond en vernietigde het vonnis van de rechtbank voor het jaar 2003, waarbij de uitspraak op bezwaar werd bevestigd.
Uitkomst: De lening wordt als onzakelijk aangemerkt en de afwaardering mag niet in mindering worden gebracht op het belastbare inkomen uit werk en woning.