ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ9607

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
17 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.083.860-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 127a lid 2 RvArt. 127a lid 3 RvArt. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens niet tijdige betaling griffierecht in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de Rechtbank Rotterdam en geïntimeerde gedagvaard om te verschijnen voor het hof. Hoewel appellant tijdig hoger beroep heeft ingesteld, heeft hij nagelaten het griffierecht binnen de wettelijk gestelde termijn te betalen. De zaak werd aangehouden om af te wachten of het griffierecht zou worden voldaan.

Appellant betaalde het griffierecht één dag te laat, namelijk op 13 april 2011, terwijl de uiterste betaaldatum 12 april 2011 was. Op grond van artikel 127a lid 2 Rv en artikel 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken is het hof gehouden tot ontslag van de geïntimeerde van de instantie over te gaan.

Het hof oordeelt dat geen omstandigheden aanwezig zijn die tot een onbillijkheid van overwegende aard leiden bij toepassing van artikel 127a lid 3 Rv. Daarom wordt de geïntimeerde ontslagen van de instantie en wordt appellant veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, vastgesteld op € 284 voor verschotten en € 447 voor salaris van de advocaat.

Uitkomst: Geïntimeerde wordt ontslagen van de instantie wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Gerechtshof ‘s-Gravenhage
Sector Civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.083.860/01
zaak / rolnummer Rechtbank Rotterdam: 334132/HA ZA 09-1824
arrest d.d. 17 mei 2011
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. G.C. Haulussy te Rotterdam,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Veken te Rotterdam.
Het geding
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 1 december 2010.
Appellant heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis en heeft geïntimeerde gedagvaard om op de rol voor dit hof te verschijnen.
Appellant heeft de zaak aangebracht. Voor appellant heeft zich een advocaat gesteld. Ook geïntimeerde is op die rol bij advocaat verschenen.
De zaak is op 15 maart 2011 aangehouden tot de rol van 19 april 2011 voor: Afwachten griffierecht partijen.
Appellant heeft niet binnen vier weken na de eerste roldag het griffierecht betaald.
In verband met het achterwege blijven van een tijdige betaling van het griffierecht heeft het hof op 19 april 2011 bepaald dat heden arrest wordt gewezen op basis van het griffiedossier.
De motivering van de beslissing
1. De zaak is voor het eerst uitgeroepen op 15 maart 2011. Volgens art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) moet appellant ervoor zorgen dat binnen vier weken na 15 maart 2011, dus uiterlijk 12 april 2011, het griffierecht is bijgeschreven op de rekening van dit hof. Appellant heeft niet tijdig betaald. Betaling is op 13 april 2011 bij het hof binnengekomen. Dat is 1 dag te laat.
2. Van omstandigheden als bedoeld in art. 127a lid 3 Rv., dat de toepassing van art. 127 lid 2 Rv Pro., gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, is niet gebleken.
Nu appellant niet tijdig tot betaling van het griffierecht is overgegaan, zal geïntimeerde
overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van deze instantie worden ontslagen en zal appellant worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
De beslissing
Het hof:
- ontslaat geïntimeerde van deze instantie,
- veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde vastgesteld op € 284,-- voor verschotten en op € 447,-- voor salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, E.J. van Sandick en A.G.M. Zander en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2011.