ECLI:NL:GHSGR:2011:BP8133
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- W.P.C.M. Bruinsma
- I.P.A. van Engelen
- M.F.L.M. van der Grinten
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
In deze zaak stond de vordering van het openbaar ministerie centraal om het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde vast te stellen en te ontnemen. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor voorbereidingshandelingen gericht op uitvoer van XTC en deelneming aan een criminele organisatie. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op EUR 74.865,- en de veroordeelde tot betaling aan de Staat veroordeeld.
De raadsman van de veroordeelde voerde meerdere verweren aan, waaronder de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens ontbrekende betekening van de sluiting van het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO), het ontbreken van bewijs dat de veroordeelde voordeel had genoten uit de bewezenverklaarde feiten en het verzoek om CIE-informanten als getuigen te horen. Tevens werd een matiging van de betalingsverplichting gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie ontvankelijk was omdat de raadsman de stukken had ontvangen en de veroordeelde op de hoogte was van het SFO. Vervolgens stelde het hof vast dat het SFO-rapport onvoldoende grond bood voor een betrouwbare schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de korte bewezenverklaarde periode. Daarbij werd meegewogen dat de veroordeelde was vrijgesproken van andere feiten in die periode. Het verzoek om CIE-informanten te horen werd niet verder behandeld en de overschrijding van de redelijke termijn bleef buiten beschouwing.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.