ECLI:NL:GHSGR:2011:BP7952
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Auteursrecht op softwareapplicaties ontwikkeld door werknemer binnen brede opdracht aan werkgever
In deze zaak staat centraal of het auteursrecht op twee softwareapplicaties toekomt aan de werknemer of aan de werkgever, de Staat. De werknemer had software in privétijd ontwikkeld en deze zonder toestemming op het werk geïnstalleerd. Later ontwikkelde hij de software verder onder de vlag van de werkgever, zonder voorbehoud te maken over het auteursrecht.
De rechtbank had geoordeeld dat de werkgever auteursrechthebbende was vanwege een aan de werknemer gegeven en aanvaarde (incidentele) opdracht, waarbij vooral e-mails van de werknemer werden meegewogen. De werknemer stelde dat er geen opdracht was gegeven en dat het werk buiten zijn functie viel.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat de werknemer een brede opdracht had gekregen om werkzaamheden te verrichten die dienden tot ontsluiting van Handelingen via internet. De doorontwikkeling van de software viel binnen deze opdracht, ook al was het werk deels in privétijd begonnen. De werknemer heeft de opdracht aanvaard door zonder voorbehoud de software te ontwikkelen en te gebruiken binnen de organisatie.
Daarom is het auteursrecht op de softwareapplicaties aan de werkgever toekomend op grond van artikel 7 van Pro de Auteurswet. De grieven van de werknemer worden verworpen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de werknemer af en bevestigt dat het auteursrecht op de software aan de werkgever toekomt.