ECLI:NL:GHSGR:2011:BP3162
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- B. van Walderveen
- Th. Groeneveld
- J.J.J. Engel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens niet aannemelijke verklaring herkomst contant geld
Belanghebbende werd in 2003 op Schiphol betrapt met een groot bedrag contant geld, waarvan hij verklaarde dat het voor derden was bestemd. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op wegens niet opgegeven inkomen uit overige werkzaamheden. Belanghebbende stelde dat hij de vragen van de Inspecteur niet hoefde te beantwoorden omdat hij die al aan FIOD-ECD had beantwoord.
De rechtbank oordeelde dat de Inspecteur terecht kon vermoeden dat belanghebbende inkomsten had genoten die niet waren aangegeven en dat belanghebbende niet aan zijn informatieplicht had voldaan. De verklaringen van belanghebbende werden als niet geloofwaardig beoordeeld, mede omdat de betrokken bedrijven zijn verklaringen niet volledig bevestigden.
Het Hof stelde vast dat het aantreffen van het geld en de verklaringen van belanghebbende een nieuw feit vormden voor de Inspecteur, waarop de navordering was gebaseerd. Het verschil in vragen tussen FIOD-ECD en Inspecteur maakte dat belanghebbende de vragen van de Inspecteur alsnog had moeten beantwoorden. Het Hof vond de verklaringen onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende voor derden handelde en bevestigde daarom de navorderingsaanslag.
Het hoger beroep werd verworpen, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Belanghebbende kan nog cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2003 wegens onvoldoende aannemelijkheid van belanghebbendes verklaring over het aangetroffen contante geld.