ECLI:NL:GHSGR:2010:BO1876

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
BK-10-00135
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 lid 3 Wet IB 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Contante waarde alimentatieverplichting als schuld in box 3 belasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen uit werk en woning, aanmerkelijk belang en sparen en beleggen. Hij was veroordeeld tot het betalen van alimentatie aan zijn ex-echtgenote met terugwerkende kracht tot 1 december 2005, waarbij de contante waarde van deze verplichting € 750.000 bedroeg.

De Inspecteur wees de aftrek van deze alimentatieverplichting als schuld in box 3 af, maar de rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond. De Inspecteur ging in hoger beroep, maar het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de contante waarde van de alimentatieverplichting als schuld in de zin van artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 kan worden aangemerkt.

Het hof oordeelde dat de terugwerkende kracht van de alimentatieverplichting niet uitsluit dat deze bij de berekening van het belastbare inkomen in box 3 kan worden betrokken. Het incidentele hoger beroep van belanghebbende behoeft geen behandeling. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 14, en het griffierecht van € 448 werd geheven.

De uitspraak werd op 21 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken door het hof te Den Haag. Beide partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de contante waarde van de alimentatieverplichting wordt als schuld in box 3 erkend.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE
Sector belasting
Nummer BK-10/00135
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 21 oktober 2010
op het hoger beroep van de Inspecteur Belastingdienst/Limburg/kantoor Maastricht (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 januari 2010, nr. 09/4952 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslag.
Aanslag, bezwaar en beroep
1.1. Aan [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 116.120, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 450.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.944.
1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.
1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij voormelde uitspraak het beroep gegrond verklaard.
Loop van het geding in hoger beroep
2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 september 2010, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Vaststaande feiten
Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:
Belanghebbende was gehuwd tot eind december 2003. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2007 is belanghebbende, met terugwerkende kracht tot 1 december 2005, veroordeeld om aan zijn ex-echtgenote een bedrag van € 9.000 per maand dient te be
talen, te indexeren per 1 januari 2007. De contante waarde van deze verplichting bedraagt € 750.000.
Omschrijving geschil en standpunten van partijen
4.1. Tussen partijen is in geschil of de contante waarde van de alimentatieverplichting als een schuld in de zin van artikel 5.3, derde lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) kan worden aangemerkt, hetgeen belanghebbende stelt, doch de Inspecteur bestrijdt.
4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.
Overwegingen omtrent het geschil
5.1. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet in het hoger beroep kan worden ontvangen omdat de gronden van het beroep niet in het hogerberoepschrift zijn vermeld.
Deze stelling treft geen doel. Uit het schriftuur waarmee de Inspecteur hoger beroep heeft ingesteld blijkt onmiskenbaar dat hij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank omtrent de aftrekbaarheid van de alimentatieverplichting als schuld in box 3. Het hogerberoepschrift voldoet ook aan de overige daaraan te stellen eisen, zodat het hoger beroep ontvankelijk is.
5.2. Op de gronden zoals vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Ballegooijen van 17 juli 2008, nr. 07/12914, in samenhang met het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2009 met voormeld nummer, is het Hof van oordeel dat de rechtbank tot het juiste oordeel is gekomen dat de onderhavige alimentatieverplichting als een schuld in de zin van artikel 5.3, derde lid van de Wet kan worden aangemerkt.
5.3. Vaststaat dat belanghebbende met terugwerkende kracht tot 1 december 2005 is veroordeeld tot het betalen van alimentatie aan zijn ex-echtgenote. Aangezien voor belanghebbende vanaf voormelde datum de verplichting bestond tot het betalen van alimentatie, kan, anders dan de Inspecteur betoogt, belanghebbende niet het recht worden ontzegd bij de berekening van zijn belastbare inkomen uit sparen en beleggen in het onderhavige jaar, met die verplichting rekening te houden. De omstandigheid dat die verplichting met terugwerkende kracht is komen vast te staan, doet daaraan niet af.
5.4. Gelet op het vorenoverwogene behoeft het incidentele hoger beroep geen behandeling. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is en dat dient te worden beslist als hierna vermeld.
Proceskosten en griffierecht
6.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 14 wegens reiskosten. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.
6.2. Aangezien de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, zal de griffier, ter zake van het hoger beroep van de Inspecteur, van hem een griffierecht van € 448 heffen.
Beslissing
Het Gerechtshof:
* bevestigt de uitspraak van de rechtbank,
* veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 14, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. P.J.J. Vonk, mr. R. den Ouden en prof. dr. A.O. Lubbers in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 21 oktober 2010 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.
Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.