ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2007
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Mos-Verstraten
- Van den Wildenberg
- Kamminga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gezagsrecht vader over minderjarige en toepassing Nederlands recht
In deze zaak staat het gezag over een minderjarige centraal, waarbij de biologische vader in hoger beroep verzoekt het gezag toe te kennen. De moeder van de minderjarige is overleden en de minderjarige is buiten het huwelijk geboren. De rechtbank had eerder Jeugdzorg benoemd tot tijdelijke voogd.
De man stelt dat hij het gezag heeft volgens Islamitisch recht en dat hij niet correct is gehoord in de procedure. Het hof oordeelt dat het beginsel van hoor en wederhoor is hersteld tijdens het hoger beroep. Daarnaast is vastgesteld dat de minderjarige zijn gewone verblijf in Nederland heeft gekregen, waardoor de Nederlandse rechter bevoegd is.
Het hof overweegt dat het gezag van de man als biologische vader volgens Nederlands recht niet bestaat, ongeacht het Islamitisch recht. Het verzoek tot toewijzing van gezag wordt daarom afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd. De vraag of de man daadwerkelijk de biologische vader is, blijft in deze procedure onbesproken.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de man geen gezag heeft over de minderjarige.