ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9743
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep vennootschapsbelasting over vordering dga, werkruimtekosten en heffingsrente
In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen de uitspraak van de rechtbank over de vennootschapsbelasting 2003 van belanghebbende, een BV waarvan de dga tevens enig bestuurder is. Kernpunten waren of belanghebbende een vordering op de dga had, de omvang van de in aanmerking te nemen kosten voor een werkruimte in de woning van de dga, de rechtmatigheid van de heffingsrente en de vraag of sprake was van behoorlijk bestuur.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende inderdaad een rekening-courantvordering op de dga had, waarvoor een zakelijke rente van 4% terecht tot de winst werd gerekend. De gemaakte afspraak over de vergoeding van huisvestingskosten, inclusief energie- en nutsvoorzieningen, werd door het Hof bevestigd als correct toegepast. De rechtbank had dit op goede gronden zo beoordeeld.
Verder oordeelde het Hof dat de heffingsrente terecht was vastgesteld ondanks de overschrijding van de wettelijke termijn door de Inspecteur, omdat deze overschrijding niet aan de Inspecteur was toe te rekenen maar aan het niet tijdig aanleveren van gegevens door belanghebbende. Ook was geen sprake van strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur. Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, bevestigde de uitspraak op bezwaar en wees de vorderingen van belanghebbende af.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar bevestigd.