ECLI:NL:GHSGR:2010:BM3869
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- Kamminga
- Van der Kuijl
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uithuisplaatsing minderjarige wegens noodzakelijkheid en geen schending artikel 8 EVRM
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter die machtiging gaf tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind. Zij betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelt dat zij voldoende in staat is haar kind te verzorgen. Tevens voert zij aan dat het raadsrapport niet onafhankelijk is en dat zij onvoldoende betrokken is bij de procedure, waardoor artikel 8 EVRM Pro zou zijn geschonden.
De raad voor de kinderbescherming en de William Schrikker Jeugdbescherming stellen dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is vanwege een zorgwekkende opvoedingssituatie, psychiatrische problematiek van de moeder en agressieproblemen van de vader, en dat eerdere hulpverlening geen verbetering bracht. Het hof overweegt dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn, met name vanwege de spraak- en taalachterstand van de minderjarige en de ernst van de problematiek die door de ouders wordt ontkend.
Het hof wijst het verzoek tot contra-expertise af, mede omdat een klinisch onderzoek bij De Banjaard gepland staat. Verder oordeelt het hof dat de ouders voldoende zijn betrokken bij de procedure en dat de inbreuk op het recht op respect voor privé- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) gerechtvaardigd is ter bescherming van de gezondheid van het kind. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het beroep van de moeder afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot uithuisplaatsing en wijst het beroep van de moeder af.