ECLI:NL:GHSGR:2010:BM2768
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrek buitengewone uitgaven wegens behandeling drugsverslaving dochter
Belanghebbende maakte in 2004 kosten voor de behandeling van haar ernstig drugsverslaafde dochter, waaronder opname in een Poolse kliniek. De Inspecteur weigerde deze kosten als persoonsgebonden aftrek te erkennen, omdat volgens hem geen indicatie voor intramurale AWBZ-zorg was afgegeven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat haar dochter aanspraak maakte op opname in een AWBZ-instelling en dat de kosten daadwerkelijk waren gemaakt. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Hof.
Het Hof stelde vast dat de dochter in 2004 zo ernstig verslaafd was dat zij aanspraak kon maken op opname in een intramurale AWBZ-instelling, zoals omschreven in artikel 20 van Pro het Uitvoeringsbesluit. De kosten voor de behandeling in de Poolse kliniek kwamen daarmee voor aftrek wegens buitengewone uitgaven in aanmerking. Het Hof achtte belanghebbende geslaagd in het aannemelijk maken van de kosten van € 4.262 en erkende daarnaast € 829 aan overige ziektekosten.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bezwaar, stelde het belastbaar inkomen vast op € 16.820, veroordeelde de Staat in de proceskosten van € 1.932 en gelastte vergoeding van de betaalde griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van € 16.820 en de Staat veroordeeld in proceskosten en griffierechten.