ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1171
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankbeslissing over gecombineerde heffingskorting inkomstenbelasting 2006
Belanghebbende was gedurende 2006 gehuwd en ontving een voorlopige gecombineerde heffingskorting van € 1.990. Haar echtgenoot had een verzamelinkomen van nihil en was derhalve geen IB/PVV verschuldigd. De definitieve aanslag van belanghebbende was gebaseerd op een belastbaar inkomen van € 3.091, met een gecombineerde heffingskorting van € 1.054, resulterend in een te betalen bedrag van € 2.190 inclusief heffingsrente.
Belanghebbende stelde dat zij recht had op een hogere gecombineerde heffingskorting, terwijl de Inspecteur dit betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde deze beslissing na behandeling van het hoger beroep. Het hof overwoog dat de gecombineerde heffingskorting in beginsel niet meer kan bedragen dan de verschuldigde IB/PVV van belanghebbende, en aangezien haar echtgenoot geen IB/PVV verschuldigd was, was de korting correct vastgesteld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het hof wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 16 maart 2010 door de eerste meervoudige belastingkamer van het gerechtshof 's-Gravenhage.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.